Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 5 januari 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:6
n hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht kan doen gelden op teruggaaf van de bedragen van verhuurbelasting motorrijtuigbelasting (VBM). Belanghebbende stelt dat de uitspraak van het Gerecht niet in stand kan blijven. Belanghebbende stelt dat o.b.v. de cijfermatige onderbouwing van de heffingsambtenaar de meerderheidsregel is geschonden. Subsidiair stelt belanghebbende dat een begunstigend beleid is ingevoerd door bewust na te laten maatregelen aangaande de VBM te nemen. Ten slotte stelt belanghebbende dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Op basis van de door belanghebbende en de verstrekte gegevens komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen de meerderheidsregel is geschonden. Verder oordeelt het Hof dat er geen rechtsregel bestaat die verbiedt verweerder om na de uitspraken van het Gerecht in 2016 en het Hof in 2017 en vervolgens in 2018 alsnog tot een juiste uitvoering van de regelgeving over te gaan. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 28 augustus 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:93
- HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1103
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 7 maart 2016, ECLI:NL:OGEABES:2016:7
- HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1194
- HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0264
- HR 13 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5559
- Conclusie A-G Groeneveld 23 april 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AL8260
- HR 15 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5142
- HR 11 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2466