HR 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:772
Verduistering van geldbedragen in 2011, art. 321 Sr. Verjaring, absolute verjaringstermijn (art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr). Feiten zijn bij art. 321 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren is gesteld. O.g.v. art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn in dit geval ten hoogste 2 maal 6 jaren. Wat betreft onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tlgd. feiten is recht tot strafvervolging wegens verjaring vervallen, v.zv. termijn van 12 jaren is verstreken. O.g.v. art. 71 Sr vangt verjaringstermijn daarbij aan op dag na die waarop feit is gepleegd, behalve in hier niet aan de orde zijnde gevallen. In het licht van ’s hofs bewijsvoering, waarin als ’s hofs vaststelling besloten ligt dat aanknopingspunten ontbreken aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat plegen van deze feiten heeft voortgeduurd na 16-11-2011, moet ervan worden uitgegaan dat wat deze tlgd. feiten betreft verjaringstermijn is aangevangen op 17-11-2011, zodat deze feiten op 16-11-2023 zijn verjaard. HR zal wat betreft deze tlgd. feiten het OM n-o verklaren in vervolging. Volgt (partiële) vernietiging en n-o verklaring OM t.a.v. verduistering (van geldbedragen in 2011) en terugwijzing t.a.v. strafoplegging voor ander feit (verduistering van geldbedrag in 2015).
De uitspraak op rechtspraak.nl