HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:233

Medeplegen witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr). 1. Verstrekken van informatie door Belastingdienst n.a.v. verzoeken door OvJ o.g.v. art. 162.2 Sv. Kon OvJ informatie opvragen bij Belastingdienst o.g.v. art. 162.2 Sv? 2. Verbeurdverklaring banktegoed van € 22.087,14, art. 33a.1.a Sr. Heeft hof verbeurdverklaring toereikend gemotiveerd? 3. Motivering opgelegde geldboete (€ 200.000). Is oplegging van geldboete die (mede) strekt tot ‘afroming’ van het door bewezenverklaard feit verkregen voordeel toegestaan? 4. Maximale duur van vervangende hechtenis bij geldboete, art. 24c.3 Sr. Ad 1. OvJ en door deze aangewezen hulpofficier zijn, mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 162 Sv, o.g.v. art. 162.2 Sv bevoegd tot het bij de in die bepaling bedoelde openbare colleges en ambtenaren inwinnen van inlichtingen over vermoedelijke begane strafbare feiten, waarvan deze colleges en ambtenaren in uitoefening van hun bediening kennis hebben gekregen. Opvragen van deze informatie kan plaatsvinden met een aan zo’n college of ambtenaar gericht verzoek en hoeft niet bij uitsluiting plaats te vinden door aanwending van bevoegdheid van art. 126nd Sv (vgl. HR:2019:857). Hof heeft vastgesteld dat in april, mei en december 2007 en in februari 2008 door OvJ aan Belastingdienst verzoeken zijn gedaan o.g.v. art. 162.2 Sv en dat n.a.v. die verzoeken door Belastingdienst informatie is verstrekt. Verder heeft hof vastgesteld dat er vanaf januari 2006 t.a.v. verdachte redelijk vermoeden van schuld heeft kunnen ontstaan m.b.t. meewerken aan (verhullen van) en/of meeprofiteren van illegale inkomsten van medeverdachte. O.g.v. deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat door Belastingdienst verstrekte informatie rechtmatig is verkregen. Dat oordeel getuigt, in het licht van wat hiervoor is overwogen, niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Onder ‘het strafbare feit’ in art. 33a.1.a Sr moet bewezenverklaard feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat 1 van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. bewezenverklaard feit (vgl. HR:2020:9.) Gelet op wat ten laste van verdachte is bewezenverklaard, is oordeel van hof dat banktegoed “door middel van het strafbare feit is verkregen” niet z.m. begrijpelijk. Hof heeft immers geen vaststellingen gedaan waaruit kan volgen dat dit banktegoed is verkregen door bewezenverklaard medeplegen witwassen. Ad 3. Om redenen vermeld in HR:2026:179 leidt middel in zoverre niet tot cassatie. Ad 4. Duur van vervangende hechtenis beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2021:812). HR bepaalt dat vervangende hechtenis van 360 dagen kan worden toegepast. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. verbeurdverklaring van banktegoed. CAG: anders t.a.v. motivering opgelegde geldboete. Samenhang met 21/02251 en met 21/02247 en 21/02454 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken