HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:221
Rijden terwijl verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. 1. Bewijsklacht bekendmakingsvereiste. Kan uit bewijsvoering volgen dat besluit waarbij rijbewijs van verdachte ongeldig is verklaard, aan verdachte bekend is gemaakt? 2. Bewijsklacht wetenschapsvereiste. Kan uit verklaring van verdachte op 14-1-2023 dat hij niet beschikt over geldig rijbewijs, worden afgeleid dat hij op 29-11-2022 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? Ad 1. en 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van een op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te komen en uit HR:2025:826, inhoudende dat het sterk aanbeveling verdient dat in zaken van dit type bij die vereisten genoemde stukken deel uitmaken van processtukken: (a) mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs, (b) aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (c) gegevens uit rijbewijsregister; en dat OM ervoor verantwoordelijk is dat deze stukken, voordat zaak op tz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv). Gelet op de door hof gebruikte bewijsmiddelen moet worden aangenomen dat van processtukken geen deel uitmaakt mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs, en ook geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hof heeft bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd, nu uit de door hof gebruikte b.m. niet kan worden afgeleid dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs aan verdachte bekend is gemaakt en dat verdachte op 29-11-2022 ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl