HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826

Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Kan uit bewijsmiddelen volgen dat besluit tot ongeldigverklaring aan verdachte bekend is gemaakt, dat verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard en dat na ongeldigverklaring van rijbewijs aan verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. vereisten om tot bewezenverklaring van op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te komen. Aan overwegingen HR in HR:2019:1146 (waarin weliswaar niet is uitgesloten dat bewijs dat is voldaan aan daarin als eerste en tweede genoemde vereisten op andere manier kan worden geleverd) ligt gedachte ten grondslag dat het sterk aanbeveling verdient dat in zaken van dit type bij die vereisten genoemde stukken deel uitmaken van processtukken: (a) mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot ongeldigverklaring, (b) aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (c) gegevens uit rijbewijsregister. OM is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat zaak op tz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij CBR. In voorkomend geval kan rechter (desnoods door aanhouding van behandeling van zaak) bewerkstelligen dat stukken alsnog bij processtukken worden gevoegd. Daarmee wordt over vereisten op eenvoudige en gestandaardiseerde wijze tijdig duidelijkheid geboden, wat doelmatige behandeling en beoordeling van zaken van dit type ten goede komt. Ook wordt daarmee voorkomen dat strafproces wordt belast met (bewerkelijke) vraag of uit ander samenstel van feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat aan genoemde vereisten is voldaan, wat in dit type zaken met oog op zinvolle aanwending van capaciteit in strafrechtspleging vermeden zou moeten worden. Indien bewijs dat is voldaan aan als eerste en tweede genoemde vereisten toch op andere manier door rechter wordt aangenomen, vergt dat in beginsel in zaken waarin verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd een nadere motivering waarin wordt uiteengezet hoe uit gebruikte b.m. is afgeleid dat aan vereisten is voldaan. Gelet op bewijsvoering hof moet worden aangenomen dat van processtukken geen deel uitmaakt aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van mededeling van CBR aan verdachte dat rijbewijs ongeldig is verklaard daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en ook geen uitdraai van gegevens uit rijbewijsregister aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat na ongeldigverklaring van rijbewijs van verdachte aan hem geen nieuw rijbewijs is afgegeven. Hof heeft bewijs dat verdachte ervan wetenschap had dat rijbewijs ongeldig was verklaard en bewijs dat aan hem geen nieuw rijbewijs was afgegeven, afgeleid uit samenstel van uit gebruikte b.m. blijkende f&o en uit de door verdachte afgelegde verklaringen. Oordeel hof dat verdachte op 22-6-2021 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (met vrijspraak van onderdeel van tll. dat verdachte dat “redelijkerwijs moest weten”) is ontoereikend gemotiveerd. Door hof voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte (“Maar dat ik niets meer gehoord van CBR daar sta ik van te kijken. Ik heb toen alles afgerond. Ik heb cursus gevolgd. Ik heb alles betaald. Ik heb alles gehaald en gedaan wat aan mij is gevraagd. En dan laten niet meer weten wat er met mijn rijbewijs gebeurd”), laat mogelijkheid open dat verdachte door hof in bewijsvoering opgenomen brief van 11-9-2020 niet heeft ontvangen en hij dus op 22-6-2021 niet wist dat rijbewijs nog steeds ongeldig was verklaard. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken