HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987
Cassatie in het belang van de wet. Opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis bij veroordeling, art. 82 Sv. 1. Uitgangspunten voor beslissing over opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis als rechter de verdachte veroordeelt tot vrijheidsbenemende straf of maatregel van zekere duur. 2. Vormt enkele omstandigheid dat bij vonnis onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan ondergane voorlopige hechtenis toereikende grond voor opheffing van schorsing? Ad 1. Bij beslissing over opheffing van schorsing gaat het om afweging van belangen van strafvordering en belangen van verdachte. Bij die afweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Verder moet tot uitgangspunt worden genomen dat voorlopige hechtenis wordt geschorst als doel dat (gelet op grond of gronden die aan voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen) in het concrete geval met voorlopige hechtenis wordt nagestreefd ook kan worden gerealiseerd door stellen van voorwaarden i.h.k.v. schorsing. Rechter mag pas tot opheffing van schorsing overgaan als opheffing noodzakelijk is gelet op genoemd doel. Art. 75.1 Sv brengt niet met zich dat enkele omstandigheid dat vrijheidsbenemende straf of maatregel is of wordt opgelegd van ten minste even lange duur als in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging, toereikende grond vormt voor opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis. Beslissing tot opheffing moet ook dan berusten op afweging van belangen van strafvordering en belangen van verdachte. In die afweging kan betekenis toekomen aan omstandigheid dat verdachte is veroordeeld en dat daarbij straf of maatregel van zekere duur is opgelegd, in die zin dat met die veroordeling groter gewicht toekomt aan grond of gronden die al aan voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen. Rechter kan in afweging ook betrekken in hoeverre verdachte zich heeft gehouden aan specifieke voorwaarden die zijn verbonden aan schorsing van voorlopige hechtenis. Als sprake is van wending ten goede in leven van verdachte waardoor recidivegevaar is afgenomen, kan dat meebrengen dat het zowel in belang van verdachte als in belang van samenleving is om schorsing onder betreffende voorwaarden te laten voortduren. Voorschrift dat rechter zo mogelijk verdachte hoort voordat hij overgaat tot opheffing van schorsing (art. 82.2 Sv) vergt dat alles wat relevant is voor die beslissing voldoende concreet tijdens onderzoek op tz. door rechter aan de orde is gesteld. Als voorlopige hechtenis voor bepaalde tijd is geschorst, tot aan tz. of tot aan einduitspraak, ligt het in de rede dat rechter o.g.v. actuele situatie beoordeelt of aflopen van schorsing van voorlopige hechtenis nog steeds noodzakelijk is, dan wel hernieuwde schorsing is aangewezen. Beslissing tot opheffing van schorsing moet op voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten (vgl. HR:2021:1662) waaruit blijkt dat rechter genoemde belangenafweging heeft gemaakt en dat in het concrete geval (alsnog) voortzetten van tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis noodzakelijk is. Ad 2. Voorlopige hechtenis van verdachte was voor onbepaalde tijd geschorst. Rb heeft bij vonnis ambtshalve schorsing opgeheven. Motivering houdt in: ‘Nu Rb van oordeel is dat aan verdachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden moet worden opgelegd, zal zij schorsing van voorlopige hechtenis opheffen.’ Daarin ligt als oordeel van Rb besloten dat enkele omstandigheid dat onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan ondergane voorlopige hechtenis, toereikende grond vormt voor opheffing van schorsing en dat aan die beslissing geen (nadere) afweging ten grondslag hoeft te liggen tussen strafvorderlijke belangen die met (verdere) tul van voorlopige hechtenis zijn gemoeid en belangen van verdachte. Dit oordeel geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Volgt (partiële) vernietiging in het belang van de wet t.a.v. opheffing van schorsing van voorlopige hechtenis.
De uitspraak op rechtspraak.nl