HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:984

Witwassen van geldbedrag (€ 8.870), art. 420bis.1.b Sr. 1. Bewijsklacht “afkomstig uit enig misdrijf”. Kon witwasvermoeden ontstaan bij aantreffen van € 8.870 verspreid over schoudertas en koffer van verdachte bij securitycheck van Eindhoven Airport voor uitreis naar Spanje? 2. Beroep op art. 3.1 Verordening nr. 1889/2005 betreffende controle van liquide middelen die Gemeenschap binnenkomen of verlaten. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2352 m.b.t. bewijs bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” in witwasbepalingen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte bij securitycheck van Eindhoven Airport kort voor zijn uitreis naar Spanje is aangetroffen met geldbedrag van in totaal € 8.870 - verspreid over schoudertas (€ 3.870) en koffer (€ 5.000) - en dat daarop bij verbalisanten vermoeden van witwassen ontstond. Hof heeft overwogen dat omstandigheid dat relatief grote hoeveelheid contant geld bij verdachte werd aangetroffen verdeeld over 2 plaatsen in zijn bagage, erop duidt dat geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat naar algemene ervaringsregels fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt en daarom voor privépersonen hoogst ongebruikelijk is, temeer daar verdachte over bankrekening beschikte waarop hij geld veilig had kunnen neerzetten en daarover even gemakkelijk als wanneer geld contant zou zijn, zou kunnen beschikken in Nederland en binnen Europese Unie. ’s Hofs oordeel dat in genoemde omstandigheden witwasvermoeden is ontstaan en daarmee verband houdend oordeel dat van verdachte mocht worden verlangd dat hij concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zou geven dat geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is, getuigen in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting. Bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Art. 3.1 Verordening (EG) nr. 1889/2005 is in deze zaak (waarin verdachte niet Europese Unie zou gaan verlaten) niet van toepassing. Maar ook als wordt uitgegaan van toepasselijkheid van deze bepaling of van art. 3.1 Verordening (EU) 2018/1672, staat (mede gelet op achtergrond van deze verordeningen) enkele omstandigheid dat bij verdachte aangetroffen bedrag lager is dan € 10.000, niet eraan in de weg dat mede o.g.v. andere feiten en omstandigheden dan omvang van aangetroffen geldbedrag het vermoeden wordt aangenomen dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken