HR 17 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:905
Jeugdzaak. Letsel door schuld in verkeer (art. 6 WVW 1994) en verlaten plaats ongeval (art. 7.1.b (oud) WVW 1994). 1. Bewijsklacht verlaten plaats ongeval t.a.v. “hulpeloze toestand”. 2. Verandering van wetgeving, art. 1.2 Sr. Kon hof bij oplegging van schadevergoedingsmaatregel gijzeling bepalen i.p.v. vervangende jeugddetentie, nu na het begaan van strafbaar feit (letsel door schuld in verkeer) opgetreden verandering in sanctierecht niet ten gunste van (jeugdige) verdachte werkt? Ad 1. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte de plaats van ongeval heeft verlaten terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan ander letsel en/of schade was toegebracht. Dat brengt met zich dat ook als onderdeel van bewezenverklaring over “hulpeloze toestand” vervalt, aard en ernst van bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, terwijl ook kwalificatie van bewezenverklaarde ongewijzigd blijft. Ad 2. Voor regels van sanctierecht, die zowel specifiek strafmaximum als meer algemene regels over sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat daarin sinds plegen van delict opgetreden verandering door rechter met onmiddellijke ingang (zonder toetsing aan maatstaf van gewijzigd inzicht van strafwetgever over strafwaardigheid van de vóór wetswijziging begane strafbare feiten) moet worden toegepast, als en v.zv. die verandering in voorliggende zaak t.g.v. verdachte werkt (vgl. HR:2011:BP6878). Daarbij geldt dat bij opeenvolging van verschillende wetswijzigingen moet worden bezien welke van wettelijke bepalingen die opeenvolgend van kracht waren tussen pleegdatum van strafbaar feit en laatste rechterlijk oordeel voor verdachte het gunstigst was (vgl. HR:2021:812). In relatie tot volwassenenstrafrecht is in HR:2020:914 bepaald dat regeling van gijzeling als gunstiger moet worden aangemerkt dan regeling van vervangende hechtenis, met als belangrijkste argument dat regeling van gijzeling anders dan die van vervangende hechtenis een voorziening kent voor gevallen van betalingsonmacht. Waar het gaat om regelingen m.b.t. jeugdzaken, kan echter niet worden gezegd dat regeling van gijzeling z.m. gunstiger is dan regeling van vervangende jeugddetentie. Hierbij is i.h.b. van belang dat ook voor 1-1-2020 geldende wettelijke regeling de mogelijkheid biedt rekening te houden met betalingsonmacht. Als al vervangende jeugddetentie is opgelegd (volgens art. 77l.2 Sr is dat niet verplicht), kan rechter na die oplegging (als geen (volledige) betaling of geen volledig verhaal van verschuldigd bedrag heeft plaatsgevonden) nog duur hiervan wijzigen en eventueel terugbrengen tot nihil, terwijl rechter de vervangende jeugddetentie dan ook kan omzetten in taakstraf (vgl. art. 36f.8 (oud) jo. 77l.3 (oud) Sr). Bovendien is o.g.v. art. 77l.6 (oud) Sr duur van vervangende jeugddetentie ten hoogste 3 maanden, terwijl volgens het na 1-1-2020 geldende recht ook in jeugdzaken de duur van gijzeling ten hoogste 1 jaar kan belopen. Hieruit volgt dat vergelijking van de vanaf 1-1-2023 geldende regeling met regeling zoals die voor 1-1-2020 gold, zich weliswaar niet eenvoudig laat maken (mede nu het afhankelijk is van verloop van tul van opgelegde schadevergoedingsmaatregel en beslissingen die rechter in dat verband (mogelijk) neemt) maar dat niet kan worden geoordeeld dat zich hier situatie voordoet dat wijziging van sanctierecht met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. In geval dat bewezenverklaard feit voor 1-1-2023 heeft plaatsgevonden, is het aangewezen dat toepassing wordt gegeven aan regeling van vervangende jeugddetentie, zoals deze tot 1-1-2020 in wet was opgenomen. In HR:2020:1316 is door vergissing in jeugdzaak “vervangende hechtenis” omgezet in gijzeling. Middel, dat opkomt tegen ‘s hofs kennelijke oordeel dat het gehouden was toepassing te geven aan regeling van gijzeling, is terecht voorgesteld. Nu echter bezwarend karakter van enerzijds regeling van vervangende jeugddetentie en anderzijds regeling van gijzeling niet wezenlijk verschilt, en in aanmerking genomen dat duur van opgelegde gijzeling binnen maximum van 3 maanden valt dat o.g.v. art. 77l.6 (oud) Sr zou hebben gegolden bij oplegging van vervangende jeugddetentie, heeft verdachte onvoldoende belang bij cassatie op dit punt. I.v.m. toekomstige gevallen merkt HR nog op dat, nu ambtshalve cassatie slechts bij wijze van uitzondering aan de orde is en gelet op gering verschil wat betreft bezwarend karakter van enerzijds regeling van vervangende jeugddetentie en anderzijds regeling van gijzeling, HR in jeugdzaken geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om ‘s hofs uitspraak ambtshalve te vernietigen v.zv. daarbij i.p.v. vervangende jeugddetentie gijzeling is toegepast. Voor gevallen waarin rechter in jeugdzaak waarin bewezenverklaard feit voor 1-1-2023 is begaan, in afwijking van wat hiervoor is overwogen, bij oplegging van schadevergoedingsmaatregel gijzeling heeft bepaald geldt verder dat, als rechter in dat geval de duur van gijzeling op meer dan 3 maanden heeft bepaald, bij toepassing van die gijzeling het maximum van 3 maanden in acht moet worden genomen dat o.g.v. art. 77l.6 (oud) Sr zou hebben gegolden bij oplegging van vervangende jeugddetentie. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl