HR 17 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:888
Medeplegen poging tot diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr). 1. Nieuwe bezwaren na kennisgeving niet verdere vervolging. Is sprake van nieuwe bezwaren a.b.i. art. 255 Sv op grond waarvan verdachte opnieuw kan worden vervolgd? 2. Toepasselijkheid jeugdstrafrecht, art. 77c Sr. Kon hof bij oordeel om jeugdstrafrecht niet toe te passen “ernst van feit” en leeftijd verdachte t.t.v. berechting betrekken? 3. Beginpunt van redelijke termijn in eerste aanleg. Kon hof oordelen dat niet datum van inverzekeringstelling van verdachte maar betekening van dagvaarding in e.a. heeft te gelden als beginpunt van redelijke termijn? Ad 1. Art. 255 Sv strekt tot waarborg dat verdachte, van wiens verdere vervolging eerder is afgezien, niet lichtvaardig o.g.v. nieuwe bezwaren opnieuw onderwerp wordt van opsporingsonderzoek of lichtvaardig alsnog wordt gedagvaard. Daarom moet eerst RC een machtiging verlenen om naar nieuwe bezwaren een opsporingsonderzoek in te stellen. OvJ moet die machtiging vorderen als hij beschikt over nieuwe gegevens a.b.i. art. 255.2 Sv op grond waarvan hij opsporing met het oog op vervolging tegen verdachte wil hervatten. Art. 255 Sv staat niet eraan in de weg dat voorafgaand aan vorderen door OvJ van zo’n machtiging enig onderzoek wordt verricht om RC in gelegenheid te stellen betekenis en gewicht van bekend geworden nieuwe gegevens te kunnen beoordelen in relatie tot gronden waarop eerder tegen verdachte gerezen verdenking berustte. Als verdachte voor hetzelfde feit opnieuw in rechte is betrokken, moet rechter die over strafzaak oordeelt (mede o.b.v. resultaten van ingesteld opsporingsonderzoek) vraag beantwoorden of er van nieuwe bezwaren a.b.i. art. 255 Sv is gebleken op grond waarvan verdachte opnieuw kan worden vervolgd. Bij ontkennende beantwoording van die laatste vraag moet OM n-o worden verklaard in vervolging (vgl. HR:2002:AE3543). Hof heeft geoordeeld dat stukken waarop RC zijn beslissing tot het verlenen van machtiging tot instellen van nieuw opsporingsonderzoek heeft gebaseerd, stukken betreffen “a.b.i. art. 255.2 Sv die basis kunnen vormen voor vaststelling dat er sprake is van nieuwe bezwaren a.b.i. art. 255.1 Sv”. Daarmee heeft hof hiervoor bedoelde vraag bevestigend beantwoord. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. V.zv. middel klaagt dat voorafgaand aan de door RC verleende machtiging niet mocht worden overgegaan tot opsporingsonderzoek dat heeft geleid tot de in ‘s hofs overwegingen genoemde p-v’s van bevindingen, miskent het wat hiervoor is overwogen over onderzoek dat mag worden verricht voorafgaand aan het vorderen door OvJ van machtiging van RC. Omstandigheid dat nadat machtiging door RC was verleend “gelet op het voorhanden zijnde onderzoeksmateriaal door OM nader onderzoek kennelijk niet nodig werd geacht om deugdelijkheid van gerezen nieuwe bezwaren te onderzoeken en tot succesvolle vervolging van verdachte te kunnen komen”, maakt dat niet anders. Ad 2. Uit ‘s hofs vaststellingen en overwegingen blijkt dat het in de in art 77c.1 Sr genoemde “persoonlijkheid van dader” en “omstandigheden waaronder feit is begaan” geen grond heeft gevonden om af te wijken van hoofdregel dat in zaak tegen verdachte volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. Dat het bij dit oordeel mede heeft betrokken dat sprake is van ernstig feit en dat hof, gelet op leeftijd van verdachte t.t.v. berechting, ook doel van toepassing van jeugdstrafrecht niet aan de orde achtte, geeft (mede tegen achtergrond van wetsgeschiedenis bij art. 77c Sr) niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. ratio achter behandeling van strafzaak binnen redelijke termijn en aanvangsmoment redelijke termijn in e.a. Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn in e.a., omdat inleidende dagvaarding is uitgebracht op 20-4-2020 en Rb op 2-6-2020 vonnis heeft gewezen. Daarmee heeft hof miskend dat verdachte op 1-12-2011 in verzekering is gesteld, aan welke handeling verdachte in redelijkheid verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem voor bepaald strafbaar feit door OM strafvervolging zou worden ingesteld. Daarom moet worden aangenomen dat verdachte onder dreiging van die strafvervolging heeft geleefd tot kennisgeving aan hem op 12-9-2014 van niet verdere vervolging. Totale op zijn redelijkheid te beoordelen duur van behandeling in e.a. bestaat dus uit periode tussen 1-12-2011 en 12-9-2014 alsmede uit periode tussen uitbrengen van inleidende dagvaarding op 20-4-2020 en vonnis van 2-6-2020. Gelet daarop is ’s hofs oordeel dat redelijke termijn in e.a. niet is overschreden niet begrijpelijk. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf van 40 maanden (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) met 5 maanden te verminderen. Samenhang met 22/03508 (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend, verdachte n-o).
De uitspraak op rechtspraak.nl