HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:580
Passieve ambtelijke omkoping door als gerechtsdeurwaarder vrouwen met schulden onder druk te zetten hun financiële zorgen door hem te laten verlichten in ruil voor seks, art. 363.1.3 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Uitleg bestanddeel “in zijn bediening” a.b.i. art. 363.1.3 (oud) Sr. Uit totstandkomingsgeschiedenis van art. 363 (oud) Sr volgt dat art. 363.1.3 (oud) Sr strafbaar stelt het vragen van voordelen i.v.m. dienstverrichtingen die strijdig zijn met ambtsplicht. Deze bepaling is onderdeel van wetgeving die ertoe strekt vertrouwen in openbaar bestuur te beschermen, dat wordt geschaad door laakbaar niet-integer gedrag van personen die bij overheid werken of openbaar ambt bekleden. Zij is niet van toepassing op het vragen van giften, beloften of diensten door deze personen v.zv. dat op geen enkele wijze verband houdt met hun werkzaamheden in ambtelijke dienst. Van het vragen door ambtenaar van gift, belofte of dienst teneinde hem ertoe te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten a.b.i. deze bepaling, kan ook sprake zijn als ambtenaar zich, als tegenprestatie voor de door hem gevraagde gift, belofte of dienst, bereid toont om relatie met hem te doen ontstaan en/of te onderhouden waarbinnen hij voorkeursbehandeling zal kunnen geven (vgl. HR:2017:641). Hof heeft vastgesteld dat verdachte in uitoefening van zijn ambt als gerechtsdeurwaarder bij slachtoffers kwam vanwege schulden die zij hadden en dat verdachte hen in dat verband heeft gevraagd om seksuele diensten waarmee die schulden in natura konden worden betaald of in ruil waarvoor hij iets zou kunnen betekenen, regelen of oplossen wat betreft het verminderen of wegnemen van die schulden. Hof heeft ook vastgesteld dat verdachte als gerechtsdeurwaarder met deze voorstellen om openstaande schulden “op andere wijze” weg te nemen of te verminderen, slachtoffers ertoe heeft willen bewegen hem seksuele diensten te leveren en zo relatie te doen ontstaan waardoor zij van hem voorkeursbehandeling zouden krijgen. Hof heeft o.g.v. deze feitelijke en toereikend gemotiveerde vaststellingen geoordeeld dat voorkeursbehandeling, die verdachte zijn slachtoffers voorstelde als tegenprestatie voor de door hem gevraagde seksuele diensten, kan worden aangemerkt als doen of nalaten “in zijn bediening” als ambtenaar. ‘s Hofs oordeel hof geeft ook niet blijk van onjuiste rechtsopvatting omtrent bestanddeel “in zijn bediening” a.b.i. art. 363.1.3 (oud) Sr. In dat verband is van belang dat contacten van verdachte met slachtoffers steeds voortkwamen uit zijn werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder die slachtoffers bezocht teneinde openstaande schulden in te vorderen en dat verdachte die slachtoffers telkens in dat verband om seksuele diensten heeft gevraagd in ruil voor voordelen die bestonden uit hetzij directe vermindering van die schulden, hetzij geld om die schulden te voldoen. Dat denkbaar is dat verdachte ook aan persoon die hij niet bezocht als gerechtsdeurwaarder en/of die niet in zo’n schuldpositie verkeerde had kunnen vragen of deze bereid zou zijn seksuele diensten te verrichten in ruil voor geld, ontneemt aan de door hof vastgestelde context van bewezenverklaarde gedragingen van verdachte niet dat deze hier hebben plaatsvonden “in zijn bediening”. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl