HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:325
Als vreemdeling (Poolse nationaliteit) in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard (art. 197 Sr). Vormde verdachte t.t.v. tenlastegelegd feit o.g.v. zijn persoonlijke gedragingen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor fundamenteel belang van samenleving a.b.i. art. 27 Richtlijn 2004/38/EG? Uit bestreden arrest blijkt dat hof zich (na te hebben vastgesteld dat verdachte o.g.v. enig wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard) gehouden achtte te onderzoeken of ongewenstverklaring t.t.v. tlgd. gedraging in strijd was met rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht (vgl. HR:2018:617). Hof heeft o.m. vastgesteld dat ongewenstverklaring (mede) is gebaseerd op groot aantal eerdere onherroepelijke veroordelingen voor (ernstige) misdrijven. Op 9-11-2021 zijn in auto van verdachte 2 verboden wapens en hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat aangetroffen verdovende middelen amfetamine betroffen en dat deze aan hem toebehoorden. Ook heeft verdachte tegenover politie valse naam opgegeven. Op deze vaststellingen gebaseerd oordeel van hof dat gedrag van verdachte op 9-11-2021 actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor fundamenteel belang van samenleving vormde in de zin van art. 27 Richtlijn, is niet z.m. begrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat hof geen preciezere vaststellingen heeft gedaan over deze gedragingen van verdachte op 9-11-2021 en ook niet over vraag hoe deze gedragingen zich verhouden tot gedragingen van verdachte die aanleiding waren voor ongewenstverklaring van 18-10-2019. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl