HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:617
Verblijf in NL door ongewenst verklaarde vreemdeling, art. 197 Sr. Bestanddeel “op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard”. Vloeit uit verblijfsrecht verdachte in België voort dat zijn ongewenstverklaring in Nederland niet tot veroordeling kan leiden? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2854 m.b.t. onderzoeks- en motiveringsplicht rechter t.a.v. strijd met Unierecht van ongewenstverklaring. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte moet worden aangemerkt als een 'derdelander' met een aan zijn familieband met zijn echtgenote ontleende verblijfsstatus in België. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat verdachte o.g.v. die verblijfsstatus een beroep kan doen op het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, welk recht slechts beperkt kan worden overeenkomstig het Unierecht, i.h.b. art. 27 Richtlijn 2004/38/EG. Deze vaststellingen – die in cassatie niet ter discussie staan maar die, mede gelet op hetgeen in de CAG naar voren is gebracht, bij hernieuwde behandeling van de zaak aandacht behoeven – neemt de HR tot uitgangspunt. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat verdachte bij beschikking van 7 september 2000 tot ongewenst vreemdeling is verklaard, dat hij op 25 februari 2015 in Roosendaal is aangehouden en dat bij hem na zijn aanhouding 300 gram hennep en een kleine hoeveelheid xtc en cocaïne werd aangetroffen. O.g.v. deze vaststellingen is het Hof tot het oordeel gekomen dat verdachte t.t.v. zijn aanhouding nog een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de NLse samenleving a.b.i. art. 27.2 Richtlijn vormde, op grond waarvan de eerder genomen maatregel van ongewenstverklaring nog rechtskracht had. In de beslissing van het Hof ligt besloten dat het Hof zich – na te hebben vastgesteld dat betrokkene o.g.v. enig wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling was verklaard – gehouden achtte te onderzoeken of de ongewenstverklaring t.t.v. de tlgd. gedraging in strijd was met rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht. Dat oordeel is juist. Voorts ligt in 's Hofs oordeel besloten dat de enkele door het Hof vastgestelde omstandigheid dat verdachte t.t.v. zijn aanhouding in het bezit was van voormelde hoeveelheid verdovende middelen, met zich brengt dat het gedrag van verdachte een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of een ander fundamenteel belang van de samenleving vormde a.b.i. art. 27.1 en 2 Richtlijn. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl