HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:29

OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. deelneming aan voortzetting van werkzaamheid van verboden organisatie, art. 140.2 (oud) Sr. Kan dragen van kleding van lokale, op zichzelf niet verboden, chapter van (verboden) motorclub worden aangemerkt als “voortzetting van werkzaamheid” van verboden organisatie a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr? Art. 2:20.1 BW. Aan delictsbestanddeel “voortzetting van werkzaamheid” a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr komt ruime uitleg toe, waarbij het gaat om “iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie” (vgl. HR:2023:1612). Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor oordeel of sprake is van “voortzetting van werkzaamheid” a.b.i. art. 140.2 (oud) Sr is vereist dat gedraging van verdachte ten dienste staat aan voortbestaan van verboden organisatie. Met overweging dat art. 140.2 (oud) Sr “niet ruim” moet worden uitgelegd, heeft hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat enkele gedraging van het op openbare weg dragen van kleding van lokale, op zichzelf niet verboden, chapter van (verboden) motorclub niet kan worden aangemerkt als “voortzetting van werkzaamheid” van verboden organisatie. Dat oordeel getuigt van te beperkte uitleg van delictsbestanddeel “voortzetting van werkzaamheid”. Mede gelet op gronden waarop verbodenverklaring en ontbinding berusten, kan ook zo’n gedraging worden aangemerkt als gedraging die ten dienste staat aan voortbestaan van deze verboden organisatie. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/02585.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken