HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:132
WOTS-zaak. Overname tenuitvoerlegging (6 jaren gevangenisstraf) van in Canada aan Nederlander opgelegde gevangenisstraf van 13 jaren t.z.v. het op internet afpersen van minderjarig meisje met seksueel getinte webcambeelden. Is art. 63 Sr van toepassing in procedure waarin Canadese straf wordt omgezet naar Nederlandse straf in geval waarin Canadese veroordeling betrekking heeft op feiten die zijn gepleegd voordat Nederlandse rechter in andere strafzaak tot veroordeling is gekomen? Opvatting dat in geval als dit (waarin strafbare feiten die hebben geleid tot veroordeling in buitenland, zijn gepleegd voordat Nederlandse strafrechter veroordeelde in Nederlandse strafzaak voor andere strafbare feiten heeft veroordeeld) art. 63 Sr van toepassing is, vindt geen steun in het recht. Rechter die o.g.v. art. 31.1 WOTS verlof verleent tot tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissing, legt straf of maatregel op die “op overeenkomstig feit” naar Nederlands recht is gesteld. In formulering van art. 9.1 VOGP gaat het om het in de plaats stellen van sanctie zoals voorgeschreven “voor hetzelfde strafbare feit” naar recht van Staat van tenuitvoerlegging. In art. 31 WOTS bedoelde beslissing over oplegging van straf of maatregel betreft dus sanctie die naar Nederlands recht kan worden opgelegd voor strafbaar feit waarvoor in buitenland veroordeling heeft plaatsgevonden. Daarbij bestaat geen verplichting om, op manier als in art. 63 Sr omschreven, acht te slaan op eerdere veroordeling in Nederlandse strafzaak voor ander feit of andere feiten. Oordeel Rb dat art. 63 Sr geen toepassing vindt, is dan ook juist. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl