HR 4 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:804

Faillissementsfraude in vastgoedmarkt. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr), feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk door rechtspersoon en medeplegen bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd (art. 341.a (oud) Sr). Aanhoudingsverzoeken op de grond dat verdachte kort voor geplande inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak door vertrouwensbreuk met zijn raadslieden geen rechtsbijstand meer had en dat hij zich daarvan opnieuw wilde voorzien. Kon hof verzoeken van verdachte tot aanhouding om zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en effectieve verdediging te kunnen voeren afwijzen (art. 6.3.b en 6.3.c EVRM en art. 28 Sv)? HR herhaalt relevante overwegingen van EHRM in zaak Galovic tegen Kroatië (nr. 45512/11) m.b.t. vraag of verdachte eerlijk proces heeft gehad. Op tz. in hoger beroep heeft hof aan afwijzing van verzoek ten grondslag gelegd dat procedure in h.b. al bijna 6 jaren duurde en ernstig was vertraagd doordat verdachte meermalen van raadsman is gewisseld en doordat hij, vlak voor geplande eerste regiezitting, stukken heeft ingebracht in verband waarmee hij inmiddels (zij het nog niet onherroepelijk) is veroordeeld wegens valsheid in geschrift. Daarnaast heeft hof erop gewezen dat verdachte zich uitvoerig heeft kunnen voorbereiden in jaren dat h.b. al duurde en dat omstandigheid dat het (om voor hof ondanks herhaalde vragen aan verdachte onbekend gebleven redenen) tot breuk kwam tussen verdachte en zijn raadslieden, voor zijn rekening moet blijven. Tegen die achtergrond heeft hof geoordeeld dat belang bij voortgang van zaak prevaleerde boven belang van verdachte bij aanhouding daarvan. In eindarrest heeft hof, n.a.v. aanhoudingsverzoek van nieuwe raadsman, overzicht gegeven van verloop van procedure in h.b. en door (opvolgende) raadslieden telkens gedane verzoeken. Aan hiervoor genoemde gronden voor afwijzing heeft hof toegevoegd dat het “vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld” (te weten telkens net voor in overleg met verdediging lang tevoren geplande zittingen) zijn geweest die procedure hebben vertraagd. Hieruit, en uit hierop volgende (door wrakingskamer als misbruik van wrakingsprocedure aangemerkte) wrakingsverzoeken heeft hof afgeleid dat verdachte heeft geprobeerd ook inhoudelijke behandeling van zaak te frustreren. Verder heeft hof vastgesteld dat (toenmalige) raadsvrouw van verdachte bijlagen voor haar pleidooi al aan hof had toegestuurd en verdediging dus kennelijk al geheel was voorbereid. Geheel tijdverloop in aanmerking nemend heeft hof daaraan toegevoegd dat verdachte ruim voldoende tijd en gelegenheid had gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden, en geoordeeld dat zijn recht op eerlijk proces door afwijzing van aanhoudingsverzoek niet is geschonden. Klacht dat hof in zijn oordeel over lange duur van procedure in h.b. ten nadele van verdachte heeft betrokken dat zijn (toenmalige) raadsman groot aantal stukken in geding heeft gebracht die hebben geleid tot veroordeling van verdachte voor valsheid in geschrift, terwijl deze veroordeling nog niet onherroepelijk was, faalt. Klacht dat recht van verdachte op eerlijk proces is geschonden omdat hij onvoldoende tijd had om zijn verdediging voor te bereiden en omdat hij niet kon beschikken over rechtsbijstand van raadsman, faalt eveneens. HR is van oordeel dat (ondanks dat het een complexe zaak betreft) gezien bijzonderheden van zaak en met name gezien zijn proceshouding, verdachte niet zodanig is beperkt in zijn recht op voldoende tijd en faciliteiten voor voorbereiding van zijn verdediging of in zijn recht op rechtsbijstand, dat daardoor zijn recht op een eerlijk proces is geschonden. Volgt verwerping. Samenhang met: 22/04642 en 22/04686.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen