HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:765

Als penningmeester van stichting verduisteren van gelden, meermalen gepleegd (art. 321 Sr) en opzettelijk gebruik maken van vals geschrift, meermalen gepleegd, door vervalste facturen en rekeningafschriften te overleggen ten behoeve van verwerking in boekhouding (art. 225.2 Sr). Formulering van bijkomende straf van ontzetting uit beroep, art. 28.1 Sr jo. art. 235.1 Sr en art. 325 Sr. Kon hof bijkomende straf opleggen van ontzetting van recht van verdachte om middellijk of onmiddellijk beroep van bestuurder van stichting uit te oefenen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1378 m.b.t. mogelijkheid om verdachte te ontzetten uit recht bepaalde beroepen uit te oefenen, waaronder recht tot beroepsuitoefening als overeenkomstig rechtspersonenrecht benoemd bestuurder van rechtspersoon. Ook rechtspersoon kan overeenkomstig rechtspersonenrecht benoemde bestuurder van rechtspersoon zijn (rechtspersoon-bestuurder). Dat brengt met zich dat natuurlijk persoon die bestuurder is van rechtspersoon-bestuurder, kan worden aangemerkt als middellijk bestuurder van rechtspersoon waarvan rechtspersoon-bestuurder (onmiddellijk) bestuurder is, en van eventuele rechtspersonen waarvan die rechtspersoon weer bestuurder is (vgl. art. 2:11 BW). Hof heeft geoordeeld dat verdachte moet worden ontzet uit recht het beroep van bestuurder (middellijk of onmiddellijk) van stichting uit te oefenen. In dat oordeel ligt besloten dat hof verdachte ontzet uit recht het beroep uit te oefenen van bestuurder van stichting dan wel van rechtspersoon die bestuurder is van stichting. Dat kan worden aangemerkt als uitoefening van voldoende bepaald beroep a.b.i. art. 28.1.5 Sr. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken