HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378

Oplichting (art. 326.1 Sr) en valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr) door zijn klanten voor wie hij openstaande schulden zou innen steeds meer geld afhandig te maken zonder dat daar werkzaamheden tegenover staan, terwijl hij zijn incassobureau eerst als eenmanszaak en nadien als commanditaire vennootschap en als besloten vennootschap exploiteert. 1. Bijkomende straf ontzetting uit beroep bij commanditaire vennootschap, art. 28.15, 235.1 en 339.1 Sr. Kon hof bijkomende straf opleggen van ontzetting van recht van verdachte om beroep van bestuurder of feitelijk leidinggevende van rechtspersoon dan wel daarmee gelijkgestelde vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap, rederij of doelvermogen uit te oefenen? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. O.g.v. art. 28.1 Sr kan verdachte worden ontzet uit o.m. recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Die mogelijkheid bestaat in bij wet bepaalde gevallen en indien strafbaar feit is begaan in uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting dient betrekking te hebben op recht op uitoefening van beroep dat in voldoende verband staat met beroep waarin strafbaar feit is begaan. Mede in het licht van wetsgeschiedenis van art. 28.1.5 Sr kan ontzetting van recht bepaalde beroepen uit te oefenen zich ook uitstrekken tot beroepsuitoefening als overeenkomstig rechtspersonenrecht benoemd bestuurder van rechtspersoon. Hof heeft vastgesteld dat verdachte incassobureau eerst als eenmanszaak en nadien, omdat hij dan zijn adres kon afschermen, als commanditaire vennootschap en als besloten vennootschap heeft geëxploiteerd. In bewezenverklaarde periode was verdachte exploitant van incassobureau in de vorm van commanditaire vennootschap. Gelet op deze vaststellingen en in aanmerking genomen wat hiervoor voorop is gesteld, getuigt ‘s hofs kennelijke oordeel dat beroep van bestuurder van rechtspersoon in voldoende verband staat met uitoefening van beroep waarin verdachte bewezenverklaarde misdrijven heeft begaan, niet van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. V.zv. ‘s hofs beslissing inhoudt dat verdachte wordt ontzet van recht beroep uit te oefenen van “feitelijke leidinggevende” van rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, maatschap, rederij of doelvermogen, heeft hof miskend dat feitelijk leidinggeven - waarbij hof kennelijk het oog heeft op in art. 51 Sr neergelegde strafbaarstelling van feitelijk leidinggeven aan door rechtspersoon of daaraan gelijkgestelde rechtsvorm begaan strafbaar feit - als zodanig niet kan worden aangemerkt als uitoefening van voldoende bepaald beroep a.b.i. art. 28.1..5 Sr. Dat doet overigens niet af aan mogelijkheid dat ontzetting betrekking heeft op specifiek omschreven vorm van beroepsuitoefening, waarvan leidinggeven aan activiteiten van rechtspersoon deel kan uitmaken. HR doet de zaak zelf af en vernietigt bijkomende straf v.zv. deze verder strekt dan ontzetting van recht tot uitoefening van beroep van bestuurder van rechtspersoon. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan de Staat ten behoeve van in arrest genoemde slachtoffers in arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken