HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:611
OM-cassatie. OM niet-ontvankelijk in vervolging t.z.v. behulpzaam zijn bij verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of Duitsland door contacten te onderhouden en afspraken te maken over wijze van (smokkel)transport en door voertuig ter beschikking te stellen en (ondanks eerdere aanhouding in Duitsland) samen verder te reizen door EU met als bestemming Rotterdam/Oosterschelde, art. 197a.1 Sr. Rechtsmacht, art. 2 Sr. Heeft hof terecht geoordeeld dat Nederland geen rechtsmacht heeft over tlgd. behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Duitsland? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:855 m.b.t. toepasselijkheid van Nederlandse strafwet op gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden en deel uitmaken van strafbaar feit dat op in Nederland gelegen plaatsen is gepleegd. ’s Hofs oordeel dat OM wegens ontbreken van rechtsmacht n-o is in vervolging van tlgd. behulpzaam zijn “bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Duitsland” getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Aan verdachte wordt immers ook verweten dat hij een ander behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en doorreis door Nederland, en dat hij, zoals ook is bewezenverklaard, daartoe zijn voertuig ter beschikking heeft gesteld en samen met die ander na eerdere aanhouding in Duitsland verder is gereisd met als bestemming Rotterdam/Oosterschelde-gebied. Dit hoeft niet tot cassatie te leiden. Nu hof in strafmaatoverweging i.h.b. ook rekening heeft gehouden met het behulpzaam zijn van verdachte bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland in fase van vervoer door Duitsland, heeft OM onvoldoende belang bij vernietiging en terugwijzing. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl