HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:589

Groepsbelediging Joden door in marge van Israël-Palestina demonstratie op Dam in Amsterdam bord te tonen met daarop Israëlische vlag waarbij davidster was vervangen door blauwe kakkerlak (art. 137c.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Is uitlating van verdachte onmiskenbaar gericht op “bepaalde groep mensen”? 2. Bewijsklacht. Heeft deze uitlating de strekking die groep mensen te beledigen wegens hun ras? 3. Beroep op recht op vrijheid van meningsuiting. Wordt met vervolging, berechting en bestraffing van verdachte ontoelaatbare inbreuk gemaakt op art. 10 EVRM? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:510 m.b.t ras in de zin van art. 137c Sr, HR:2009:BF0655, HR:2019:1816 en HR:2022:1468 m.b.t. beoordelingskader beledigend karakter van uitlating en belediging van groep mensen wegens i.c. hun ras en HR:2022:1468 en HR:2023:1742 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting en “chilling effect”. Hof heeft geoordeeld dat uitlating van verdachte onmiskenbaar was gericht op bepaalde groep mensen, te weten leden van Joods volk. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat davidster “symbool van Joods volk” is en dat vervangen van davidster door kakkerlak op afbeelding associatie oproept dat leden van Joods volk kakkerlakken zijn. Hof heeft verder overwogen dat die associatie mede wordt opgeroepen door algemeen bekende historische achtergrond van WOII, waarbij Joden Jodenster moesten dragen en zijn omgebracht “als waren zij ongedierte”. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats. Ad 2. Hof heeft verder geoordeeld dat uitlating van verdachte, verstaan als “leden van Joodse volk zijn kakkerlakken”, strekking heeft (mede tegen achtergrond van historische context) die groep mensen in ongunstig daglicht te stellen en hen aan te randen in hun eer en goede naam wegens hun ras, en dat verdachte door tonen van afbeelding in marge van demonstratie met bedoelingen opponenten een “fuck you” te geven, bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat afbeelding ook zou worden begrepen als “leden van Joodse volk zijn kakkerlakken”. Ook heeft hof geoordeeld dat deze uitlating geen artistieke expressie inhoudt noch bijdrage kan leveren aan enig maatschappelijk debat. Deze oordelen geven niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Ad 3. Hof heeft verweer van raadsman dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 EVRM verworpen. Hof heeft niet onbegrijpelijk overwogen dat strafvervolging van verdachte voor tlgd. uitlating geen afbreuk doet aan andere mogelijkheden voor verdachte (zonder gebruikmaking van bestreden afbeelding) om aandacht te vestigen op beleid van staat Israël en om bijdrage te leveren aan maatschappelijk debat hierover. Ook heeft hof bij zijn oordeel betrokken dat met oplegging van geldboete kan worden volstaan en dat daarbij onvoorwaardelijke strafoplegging niet passend is, zodat aan verdachte uitsluitend geheel voorwaardelijke geldboete van € 350 is opgelegd. Kennelijk oordeel hof dat onder deze omstandigheden bestraffing van bewezenverklaarde met geheel voorwaardelijke geldboete proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan demonstratie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken