HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:286
Beklag ex art. 552a Sv door supermarkt na vordering ex art. 126nda Sv tot verstrekken beelden van beveiligingscamera’s. Mishandeling in supermarkt van klant die geen mondkapje draagt, waarbij bestuurder/aandeelhouder en teamleider van klaagster (rechtspersoon die supermarkt exploiteert) als verdachten zijn aangemerkt. Klaagster stelt dat o.g.v. art. 126nda.2 Sv vordering niet tot haar kan worden gericht omdat zij als verdachte van mishandeling moet worden aangemerkt althans zij verschoningsrecht heeft omdat gevaar voor strafrechtelijke vervolging bestaat. 1. Staat beklag open als reeds aan vordering is voldaan? 2. Moet beklagrechter zelfstandig beoordelen wie als verdachte in strafzaak kan worden aangemerkt en kon Rb oordelen dat klaagster niet kan worden aangemerkt als verdachte van mishandeling? 3. Kan rechtspersoon (of daarmee ex art. 51.3 Sr gelijk te stellen entiteit) beroep doen op verschoningsrecht a.b.i. art. 126nda.2 jo. 96a.3.c en art. 219 Sv? Ad 1. Als opsporingsambtenaar vordering a.b.i. art. 126nda Sv heeft gedaan tot verstrekken van camerabeelden, kan belanghebbende o.g.v. art. 552a Sv beklag doen tegen vordering, tegen kennisneming en/of gebruik van betreffende gegevens dan wel verzoek doen tot vernietiging daarvan. Uit wetsgeschiedenis volgt dat deze mogelijkheid ook openstaat als degene tegen wie betreffende vordering is gericht daaraan al heeft voldaan. Zo’n beklag verhindert niet dat die gegevens in beginsel al worden gebruikt voor opsporingsonderzoek. Ad 2. HR herhaalt relevante overweging uit HR:2013:BV3004 m.b.t. summier karakter onderzoek in raadkamer. Als klaagschrift is gericht tegen vordering tot verstrekken van gegevens en klager zich daarbij op standpunt stelt dat vordering niet tot hem mocht worden gericht omdat hij kan worden aangemerkt als verdachte, kan beklagrechter (gelet op summier karakter van onderzoek in raadkamer) in beginsel zonder zelf in beoordeling van dit punt te treden, oordelen dat vordering wel aan klager mocht worden gedaan als OvJ mededeelt dat klager in betreffende strafzaak niet als verdachte is aangemerkt. Volgens beschikking van Rb heeft OvJ verklaard dat klaagster niet als verdachte is aangemerkt. Tegen deze achtergrond en in licht van wat is vooropgesteld, getuigt oordeel Rb dat vordering tot verstrekken van camerabeelden niet aan een verdachte is gedaan, niet van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Ad 3. O.g.v. art. 126nda.2 Sv is art. 96a.3.c Sv jo. art. 219 Sv van overeenkomstige toepassing op vordering tot verstrekken van camerabeelden a.b.i. art 126nda.1 Sv. Uit samenstel van bepalingen volgt dat degene tot wie zo’n vordering is gericht, niet verplicht is aan vordering te voldoen als hij zichzelf daardoor zou blootstellen aan gevaar van strafrechtelijke vervolging. Anders dan Rb heeft geoordeeld, kan ook rechtspersoon of daarmee o.g.v. art. 51.3 Sr gelijk te stellen entiteit een beroep doen op art. 126nda.2 Sv. Dit leidt echter niet tot cassatie. Aan persoon tot wie vordering a.b.i. art. 126nda Sv is gericht komt slechts dan o.g.v. vermelde bepalingen beroep toe op verschoningsrecht vanwege gevaar voor een strafrechtelijke vervolging als (mede in licht van wat die persoon daartoe heeft aangevoerd) aannemelijk is dat hij zichzelf blootstelt aan dat gevaar door aan vordering te voldoen. In overwegingen Rb ligt als haar niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat zij (ook in licht van wat klaagster daarover heeft aangevoerd) zo’n gevaar voor strafrechtelijke vervolging van klaagster voor mishandeling waarvan bestuurder/aandeelhouder en teamleider worden verdacht, niet aannemelijk acht. Volgt verwerping. CAG t.a.v. beroep op verschoningsrecht (strekking): vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl