HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:270
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal van gouden ketting, art. 310 Sr. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.3 Sv. Had afschrift van dagvaarding in h.b. moeten worden verzonden naar het bij eerste politieverhoor en in volmacht tot instellen van h.b. opgegeven adres van verdachte in Roemenië? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD5163 m.b.t. betekening van dagvaarding in geval van verdachte een adres in buitenland bekend is. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uitreiking van dagvaarding in h.b. heeft plaatsgevonden aan medewerker van OM omdat woon- of verblijfplaats van verdachte niet bekend is, dagvaarding tevergeefs is aangeboden op (eerder opgegeven) adres in Nederland (met vermelding in akte dat geadresseerde niet (meer) op dat adres woont), terwijl uit p-v van verhoor van verdachte door politie en uit de door advocaat verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van h.b. kan worden afgeleid dat van verdachte op moment van betekening een adres in Roemenië bekend was, en niet blijkt dat dagvaarding o.g.v. art. 36e.3 Sv is verzonden naar dit adres van verdachte in buitenland, is ‘s hofs oordeel dat dagvaarding in h.b. rechtsgeldig is betekend, niet toereikend gemotiveerd. HR verklaart betekening van dagvaarding in h.b. nietig. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl