HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1684
OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. verkrachting (art. 242 Sr (oud)), veroordeling t.z.v. mishandeling (art. 300.1 Sr). 1. OM-cassatie. Uitsluiting van bewijs van rapportage van DNA-onderzoek aan nagelvuil van aangeefster. Mag tegendeskundige in DNA-onderzoek (sperma) in dezelfde strafzaak optreden als deskundige in ander DNA-onderzoek (nagelvuil)? 2. OM-cassatie. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over bruikbaarheid voor bewijs van rapportages van DNA-onderzoek aan het bij aangeefster aangetroffen sperma, art. 359.2 Sv 3. Cassatie verdachte. Bewijsklacht mishandeling. Ad 1. Hof heeft rapportage van DNA-onderzoek aan nagelvuil van aangeefster uitgesloten van bewijs, omdat deskundige die onderzoek heeft verricht eerder tegenonderzoek aan het bij aangeefster aangetroffen sperma had verricht. Daaraan heeft hof in de kern ten grondslag gelegd dat aan wettelijke regeling van deskundigenonderzoek ten grondslag ligt dat deskundige objectief, onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, dat dit uitgangspunt er zonder meer aan in de weg staat dat persoon in strafzaak als deskundige optreedt als hij in dezelfde strafzaak al een rol als deskundige die tegenonderzoek heeft uitgevoerd heeft vervuld, en dat deze belemmering dus ook steeds bestaat als optreden als deskundige ziet op andersoortig onderzoek dan onderzoek waarop optreden als deskundige die tegenonderzoek heeft uitgevoerd, betrekking heeft. Hof heeft daarmee eis gesteld aan gebruik van verslagen van deskundigen voor bewijs die het recht niet kent. ’s Hofs oordeel dat rapportage van DNA-onderzoek aan nagelvuil moet worden uitgesloten van bewijs, berust daarom op onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. Hof is afgeweken van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van OM over bruikbaarheid voor bewijs van rapportages van DNA-onderzoek aan het bij aangeefster aangetroffen sperma. Omdat hof in dat verband niet meer heeft overwogen dan dat “totstandkoming van rapportages (...) nog steeds veel vragen oproept omtrent betrouwbaarheid van dat onderzoek”, heeft hof in strijd met art. 359.2 (tweede volzin) Sv in onvoldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van uos hebben geleid. Ad 3. HR: art. 81.1 RO. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl