HR 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1573
Opruiing, meermalen gepleegd, door online plaatsen van Twitterberichten met o.a. tekst “Moge Allah swt de zionisten vernietigen” door gemeenteraadslid (art. 131.1 Sr). 1. Heeft verdachte opgeruid tot het plegen van enig strafbaar feit? 2. Heeft verdachte gehandeld met het voor opruiing vereiste opzet? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:2020 en HR:2020:447 m.b.t. beoordeling of uitingen aansporen tot enig strafbaar feit. Bewijsoverwegingen van hof houden over opruiend karakter van tweets in dat verdachte tweets heeft opgesteld in vorm van smeekbede. Die smeekbede heeft betrekking op groep personen met bepaalde politieke overtuiging, te weten: zionisten, en houdt als wens in dat deze groep wordt vernietigd door Allah. Met term ‘vernietigen’ in smeekbede wordt daarbij bedoeld: het op gewelddadige wijze doden. Tweets kunnen groot publiek bereiken. Met plaatsen van deze berichten op Twitter is dan ook tegenover dit publiek algemene wens uitgesproken dat zionisten worden gedood en daarmee ook algemene wens dat strafbare feiten t.a.v. hen plaatsvinden. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat, ook al hebben tweets vorm van een aan Allah gerichte smeekbede, sprake is van opruiing a.b.i. art. 131.1 Sr. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat uitspreken van wens anderen tot actie kan bewegen en kan bijdragen aan vervulling van die wens, en dat in omstandigheden van dit geval (gelet op context van de in 2018 en 2019 bestaande terroristische dreiging, antisemitische teneur in twitterberichten van verdachte, gebruik van term ‘vernietigen’ en toevoeging van emoticons van vuur en een vuist) in twitterberichten aan publiek wens is uitgesproken die als ophitsend moet worden beschouwd. Dit oordeel is (gelet op wat hof heeft overwogen over inhoud en strekking van tweets en context waarin deze aan publiek zijn gedaan) toereikend gemotiveerd. Dat in tweets opgenomen wens niet rechtstreeks aanspoort tot enig strafbaar feit, doet daaraan niet af. Ad 2. In begrip ‘opruiing’ a.b.i. art. 131.1 Sr ligt opzet besloten. Voor bewezenverklaring van opruiing is daarom ten minste vereist dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen openbaar gezag. Bij oordeel over het voor opruiing vereiste opzet heeft hof in aanmerking genomen dat met gebruik van woord ‘vernietigen’, gelet op wijze waarop dat woord door verdachte is gebruikt in reactie op (nieuws)berichten over gewelddadig conflict tussen Israël en Palestijnen, kans aanmerkelijk is dat lezers van die berichten de uitlatingen van verdachte zouden opvatten als aanmoediging tot plegen van strafbaar feit. Daarbij wordt met gebruiken van openbaar sociaal medium met groot bereik, zoals Twitter, kans vergroot dat iemand daadwerkelijk overgaat tot doen van hetgeen waartoe wordt aangemoedigd. Voor verdachte waren deze omstandigheden kenbaar, maar hij heeft niettemin zijn uitlatingen gedaan via zijn openbare Twitter-account, wetende dat hij ruim 31.000 volgers heeft en zijn tweets konden worden geretweet. Hof heeft verder in zijn oordeel betrokken dat uit dossier volgt dat uitlatingen van verdachte door derden ook daadwerkelijk zijn opgevat als aanmoediging tot plegen van strafbare feiten, waarbij hof kennelijk doelt op waarschuwende reactie die is gevolgd op tweet en die inhoudt dat met die tweet mensen worden aangezet tot plegen van terreurdaden, waarna verdachte zijn uitlatingen niet heeft genuanceerd, maar exact dezelfde uiting heeft herhaald. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte met doen van zijn uitlatingen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag, is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl