HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447

Context zaak. Criminele en terroristische organisatie die zich bezig hield met opruien tot deelname aan gewapende strijd in Syrië, werven van Syriëgangers, financieren van terrorisme en bevorderen of vergemakkelijken van door jihadstrijders te plegen levensdelicten in Syrië. (Medeplegen) opruiing tot terroristisch misdrijf (art. 131.1 jo. 131.2 Sr) en (medeplegen) verspreiding van tot terroristisch misdrijf opruiend materiaal (art. 132.1 jo. 132.3 Sr). 1. Heeft verdachte via verschillende media (YouTube en sociale media) uitingen gedaan/verspreid die ‘opruien tot enig strafbaar feit’? 2. Heeft Hof grondslag tll. verlaten door niet alle in tll. aangeduide berichten bewezen te verklaren maar desondanks verdachte te veroordelen voor (mede)plegen van opruiing door plaatsen van berichten op Facebookpagina? 3. Staan vrijheid van godsdienst (art. 9 EVRM) en vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) in de weg staan aan strafbaarheid van bewezenverklaarde? Ad 1. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte via sociale media en website heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en opruiende berichten heeft verspreid. ’s Hofs oordeel komt erop neer dat aan deze uitingen gemeenschappelijk is dat daarin wordt opgeroepen tot daadwerkelijk afreizen naar Syrië teneinde deel te nemen aan gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans dat zij oproepen tot plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Hof heeft hieromtrent overwogen dat daadwerkelijk deelnemen aan gewapende strijd in Syrië en/of Irak aan zijde van aan deze jihadstrijd deelnemende strijdgroepen, altijd plegen van terroristische misdrijven inhoudt. Gelet op deze vaststellingen geeft bewezenverklaring v.zv. inhoudende dat sprake was van opruien tot ‘enig strafbaar feit zijnde terroristisch misdrijf’, ook in het licht van wat daarover door verdediging is aangevoerd, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat Hof bij beoordeling van in tll. bedoelde uitingen inhoud en strekking daarvan in hun samenhang heeft bezien en daarbij mede heeft gelet op context waarin deze uitingen aan publiek zijn geopenbaard, terwijl uit b.m. telkens blijkt aan welke concrete uitingen Hof zijn oordeel heeft ontleend dat uitingen van verdachte als opruiend kunnen worden aangemerkt. Mede gelet hierop geeft ook ‘s Hofs oordeel dat het niet t.a.v. iedere uitlating afzonderlijk heeft te beoordelen of inhoud daarvan opruiend is maar dat het daarbij telkens (mede) gaat om (ook aan samenhang tussen en context van deze uitingen te ontlenen) strekking van deze uitingen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat sprake is van opruiing indien rechtstreeks wordt aangespoord tot enig strafbaar feit. Met zijn overweging dat beïnvloeding ook op indirecte wijze opruiend kan zijn, heeft Hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat niet is uitgesloten dat ook indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing. Dat oordeel geeft evenmin blijk van onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. Hof heeft t.z.v. Facebookpagina overwogen dat tlgd. uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld maar in samenhang worden bezien, waarbij ook op zichzelf mogelijk niet-opruiende berichten rol kunnen spelen omdat zij beogen aandacht van (potentiële) lezers te trekken en hen tot ‘volgen’ van pagina te verleiden. Vervolgens is Hof t.a.v. deze Facebookpagina gekomen tot bewezenverklaring waarin niet in tll. genoemde (categorieën van) berichten afzonderlijk zijn benoemd en bewezenverklaard. Hof heeft hiermee grondslag van tll. niet verlaten. Uit bewijsvoering blijkt immers op welke door Hof in b.m. weergegeven berichten zijn (mede op samenhang en context van die berichten steunende) oordeel dat Facebookpagina opruiende inhoud heeft, is gebaseerd. Wat betreft Facebookpagina heeft Hof vastgesteld dat verdachte vanaf “eerder dan november 2013” (gedurende gehele periode waarin in b.m. weergegeven berichten op Facebookpagina zijn geplaatst) een van de redacteuren was van deze pagina, dat hij als redacteur stukken plaatste op deze pagina, dat hij bekend was met strekking van pagina en dat hij weet had van type berichten dat erop stond. Voorts blijkt uit bewijsvoering dat via deze pagina in periode van 2-12-2013 tot 28-4-2014 berichten zijn geplaatst die door Hof - niet onbegrijpelijk - als opruiend zijn aangemerkt, waarbij het mede in aanmerking heeft genomen steeds op deze pagina terugkerende thema’s, waaronder ronselen voor gewelddadige jihad in Syrië, nieuws over inzet daarbij van Nederlandse strijders en verheerlijking van martelaarsdood en van terroristische aanslagen. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte “tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen (...) (een) Facebookbericht(en) [heeft] geplaatst op (...) Facebookpagina” - waarmee Hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat v.zv. verdachte niet zelf zo’n bericht heeft geplaatst, hij als redacteur van Facebookpagina bijdrage van voldoende gewicht aan plaatsing ervan heeft geleverd en hij dus als medepleger kan worden aangemerkt - is niet onbegrijpelijk en ook in het licht van hetgeen namens verdachte over diens betrokkenheid bij deze pagina is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Ad 3. Hof heeft geoordeeld dat beroep van verdediging op art. 9 en 10 EVRM afstuit op art. 17 EVRM. Daaraan heeft Hof ten grondslag gelegd dat verdachte in EVRM gewaarborgde grondrechten heeft ingezet voor doeleinden (aanzetten tot deelname aan gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin plegen van terroristische misdrijven besloten ligt) die overduidelijk in strijd zijn met geest van EVRM. In dat oordeel ligt besloten dat Hof van oordeel is dat sprake is van ‘uitzonderlijk en extreem’ geval waarin uitlatingen of andere informatieverstrekkingen gericht tegen aan EVRM ten grondslag liggende waarden bescherming van art. 9 en 10 EVRM ontberen o.g.v. art. 17 EVRM (vgl. ECLI:NL:HR:2017:220). Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen hetgeen bewijsvoering in zijn geheel inhoudt over bewezenverklaarde feiten. Stelling dat per uiting van verdachte moet worden beoordeeld of art. 17 EVRM kan worden ingeroepen, vindt geen steun in rechtspraak EHRM. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02493, 18/02548 en 18/02560.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken