HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1413

OM-cassatie. Redelijke termijn en niet-ontvankelijkheid OM. Hof verklaart OM n-o in vervolging t.z.v. (medeplegen) aanwezig hebben van hennep (art. 3.C Opiumwet), (medeplegen) telen van hennep (art. 3.B Opiumwet), gekwalificeerde diefstal van elektriciteit (art. 311.1 Sr) en witwassen van auto’s (art. 420bis.1.b Sr), o.g.v. overschrijding redelijke termijn en inbreuk op verdedigingsrechten. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:2059 m.b.t. overschrijding van redelijke termijn en niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging. Hof heeft geoordeeld dat naast algemene gevolgen van (onevenredig) tijdsverloop, zoals het gedurende lange tijd moeten leven onder dreiging van strafvervolging en het voortduren van beslag op onroerend goed, in deze zaak ook sprake is van inbreuk op verdedigingsrechten waardoor waarheidsvinding ernstig in gedrang is gekomen. Hof heeft in dat verband vastgesteld dat noodzakelijk geachte onderzoekshandelingen niet meer konden worden uitgevoerd. Bovendien ging het hierbij volgens hof voor deel om onderzoek waar verdediging in vroeg stadium om heeft verzocht maar waarop door OM niet is gereageerd. Hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat geen sprake meer kon zijn van eerlijk proces a.b.i. art. 6.1 EVRM en dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging van verdachte. Bij zijn oordeel dat niet met strafvermindering of bewijsuitsluiting kon worden volstaan, heeft hof ook betrokken zwaarte van strafzaak, ernst van verdenking en constatering dat “strafblad” van verdachte geen blijk geeft van naderhand gepleegde strafbare feiten. Hof heeft zijn verstrekkende oordeel niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat als (onevenredig) tijdsverloop een complicatie vormt bij bewijsgaring of waardering van bewijs, de rechter daarmee rekening kan houden en, als bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met “fairness of the proceedings as a whole”, tot vrijspraak kan komen. Door hof vastgestelde gang van zaken kan zijn oordeel dat sprake was van niet voor (procedurele) compensatie vatbare schending van verdedigingsrechten die meebrengt dat OM n-o moest worden verklaard in vervolging van verdachte, niet dragen (vgl. HR:2022:1009). Dat wordt niet anders als in beoordeling wordt betrokken dat ook sprake is van andere nadelige gevolgen voor verdachte, omdat niet zonder meer begrijpelijk is waarom deze gevolgen zich niet ervoor leenden te worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door middel van strafvermindering (vgl. 2008:BD2578). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/01858 P.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken