HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1009
OM-cassatie. Redelijke termijn en niet-ontvankelijkheid OM. Hof verklaart OM n-o in vervolging t.z.v. verkopen van cocaïne (art. 2.B Opiumwet), deelname aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet) en witwassen (art. 420bis.1.b Sr) o.g.v. lange duur proces en nadelige gevolgen voor feitenvaststelling. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:2059 m.b.t. overschrijding van redelijke termijn en niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging. Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van enkel tijdsverloop maar van bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden waardoor waarheidsvinding ernstig in het gedrang is gekomen, nu onderzoekshandelingen niet meer uitgevoerd konden worden. Als gevolg daarvan deed zich volgens hof de situatie voor dat, door het tijdsverloop, voor vaststelling van feiten noodzakelijk geachte informatie is uitgewist, wat betekent dat er van eerlijk proces a.b.i. art. 6.1 EVRM geen sprake meer kon zijn. Dit verstrekkende oordeel is niet toereikend gemotiveerd. In dat verband is van belang dat uit HR:2016:2059 volgt dat als (onevenredig) tijdsverloop een complicatie vormt bij bewijsgaring of waardering van bewijs, rechter daarmee rekening kan houden en, indien bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met “fairness of the proceedings as a whole”, tot vrijspraak kan komen. Door hof vastgestelde gang van zaken kan zijn kennelijke oordeel dat sprake was van niet voor (procedurele) compensatie vatbare schending van verdedigingsrechten die meebrengt dat OM n-o moest worden verklaard in vervolging van verdachte, daarom niet dragen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 20/04056 en 20/04057.
De uitspraak op rechtspraak.nl