HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1122

Diefstal van fiets, art. 310 Sr. Aanwezigheidsrecht. Verzuim Poolse vertaling van inleidende dagvaarding te verzenden, art. 260.5 Sv. Had hof onderzoek ttz. moeten schorsen om alsnog vertaling van strafrechtelijk verwijt aan Poolse verdachte te laten betekenen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:773 m.b.t. vertaalverplichting van art. 260.5 Sv t.a.v. dagvaarding van verdachte die Nederlandse taal niet beheerst en uit HR:2002:AD5163 m.b.t. verplichting voor rechter om onderzoek ttz. te schorsen als niet aan vereisten van deze bepaling is voldaan. Uit stukken kan worden afgeleid dat verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en dat inleidende dagvaarding in strijd met art. 260.5 Sv niet in Poolse of andere voor verdachte begrijpelijke taal is vertaald. Uit stukken blijkt niet dat op later moment in procedure een vertaling van die dagvaarding aan verdachte is verstrekt, of anderszins in een voor verdachte begrijpelijke taal schriftelijk mededeling is gedaan a.b.i. art. 260.5 Sv. Hof heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk is onderzoek ttz. te schorsen om alsnog vertaling van “strafrechtelijk verwijt” (ttl. dan wel korte omschrijving van feit) aan verdachte te laten betekenen. Hof heeft bij dat oordeel betrokken dat (i) hoger beroep namens verdachte is ingesteld door zijn daartoe gemachtigde raadsman, (ii) nu raadsman voor eerdere tz. in h.b. was gemachtigd, procedure ook wat betreft nadere tz. in h.b. op tegenspraak is gevoerd, (iii) voor nadere tz. in h.b. een (in Poolse taal) vertaalde oproeping rechtsgeldig is betekend aan verdachte, (iv) raadsman ttz. in h.b. heeft medegedeeld dat hij geen contact meer heeft met verdachte en dat hij niet weet waar verdachte op dat moment is, en (v) het “zinloos” is om onderzoek ttz. nogmaals te schorsen. V.zv. hof met deze overwegingen tot uitdrukking heeft willen brengen dat verdachte niet in zijn verdediging is geschaad doordat niet schriftelijke vertaling van dagvaarding in eerste aanleg aan hem is verstrekt, en dat hem niet anderszins in een voor hem begrijpelijke taal een korte omschrijving van feit schriftelijk is medegedeeld, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Uit de door hof in aanmerking genomen omstandigheden kan immers niet zonder meer volgen dat verdachte bekend was met de in tll. opgenomen beschuldiging. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu ‘s hofs beslissing om onderzoek ttz. niet te schorsen kennelijk tevens berust op de grond dat, ook als oproeping voor nadere tz. in h.b. wel was voorzien van schriftelijke vertaling van dagvaarding in e.a., met daarin opgenomen tll. of korte omschrijving van feit, deze de verdachte niet zou hebben bereikt en dat het opnieuw betekenen van oproeping zinloos is. Dat oordeel, dat ’s hofs beslissing zelfstandig draagt, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat oproeping voor nadere tz. in h.b. tevergeefs is aangeboden op adres in Nederland omdat verdachte niet (meer) op dat adres woont en van hem geen andere woon- of verblijfplaats bekend was waaraan betekening kon plaatsvinden, terwijl ook raadsman heeft aangegeven niet te weten waar verdachte verblijft. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken