HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:773
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. aanwezig hebben cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en voorbereidingshandelingen verkoop cocaïne (art. 10a Opiumwet). Aanwezigheidsrecht, art. 260.5 Sv. Schriftelijke vertaling van appeldagvaarding en oproeping nadere tz. in h.b. bij verdachte die Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Art. 260 Sv is t.a.v. dagvaarding in h.b. van overeenkomstige toepassing op de wijze zoals omschreven in art. 412.3 Sv. Art. 319 en 320 Sv zijn ex art. 415.1 Sv van overeenkomstige toepassing in h.b. O.g.v. art. 260.5 Sv moet aan verdachte die Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, schriftelijke vertaling van dagvaarding worden verstrekt, dan wel in ieder geval in voor hem begrijpelijk taal schriftelijk mededeling worden gedaan van plaats, datum en tijdstip waarop verdachte ttz. moet verschijnen, korte omschrijving van feit en mededelingen, bedoeld in art. 260.3 Sv en art. 260.4 Sv. Aan deze verplichting kan worden voldaan door verstrekken van integrale vertaling van dagvaarding, dat wil zeggen vertaling van door OM opgestelde dagvaarding met inbegrip van mededelingen die daarin zijn opgenomen dan wel daarbij zijn gevoegd. WvSv kent geen bepaling waarin art. 260.5 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard in gevallen waarin onderzoek wordt onderbroken of voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt geschorst a.b.i. art. 319 en 320 Sv en verdachte voor nadere tz. opnieuw wordt opgeroepen. Redelijke wetsuitleg brengt evenwel met zich, mede in het licht van wetsgeschiedenis bij art. 260.5 Sv, dat ook in die gevallen t.a.v. verdachte voorschrift van art. 260.5 Sv in acht wordt genomen. V.zv. middel klaagt dat t.a.v. dagvaarding in h.b. art. 260.5 Sv niet is nageleefd, mist het feitelijke grondslag op gronden vermeld in CAG. V.zv. middel klaagt dat t.a.v. oproeping voor nadere tz. in h.b. artikel 260.5 Sv niet is nageleefd, is het volgende van belang. Oproeping van verdachte om te verschijnen op nadere tz. in h.b. is aan griffier van Rb betekend op de grond dat “van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is” en is tevens tevergeefs aangeboden op 3 verschillende adressen (omdat “volgens mededeling van degene die zich op adres bevond, geadresseerde daar niet woont noch verblijft”) en vervolgens uitgereikt aan griffier van Rb en per post verzonden naar deze adressen. Niet blijkt dat hierbij voorschrift van art. 260.5 Sv in acht is genomen. Verdachte heeft echter onvoldoende belang bij zijn klacht. Ook indien oproeping voor nadere tz. in h.b. wel was voorzien van vertaling daarvan of van schriftelijke mededeling a.b.i. art. 260.5 Sv, zou deze verdachte niet hebben bereikt. Dit volgt uit redenen waarom oproeping niet kon worden uitgereikt, anders dan aan griffier. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl