HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:481

Onttrekken van minderjarige aan bevoegd opzicht, art. 279.1 Sr. 1. OM n-o, nu door OvJ uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel op grond waarvan verdachte in Duitsland is aangehouden en overgeleverd aan Nederland onrechtmatig is, omdat EAB niet door onafhankelijke rechterlijke autoriteit is afgegeven? 2. OM n-o, nu Duitse OvJ niet bevoegd was om op overleveringsverzoek te beslissen, omdat deze Duitse OvJ niet onder het begrip uitvoerende rechterlijke autoriteit valt? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HvJ EU ECLI:EU:C:2023:57 m.b.t. toetsing in uitvoerende lidstaat of autoriteit die EAB heeft uitgevaardigd een rechterlijke autoriteit a.b.i. art. 6.1 Kaderbesluit betreft en HR:2022:982 m.b.t. beoordeling in strafzaak of EAB door daartoe bevoegde autoriteit is uitgevaardigd. Gelet ook op uitspraak van HvJ EU is het niet aan rechter in strafzaak om te beoordelen of EAB is uitgevaardigd door autoriteit die kan worden aangemerkt als rechterlijke autoriteit in de zin van art. 6.1 Kaderbesluit. Oordeel van hof komt erop neer dat het niet toe komt aan beoordeling of EAB is uitgevaardigd door rechterlijke autoriteit in de zin van art. 6.1 Kaderbesluit, omdat beoordeling plaatsvindt in overleveringsprocedure in uitvoerende lidstaat. Dat oordeel is juist. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HvJ EU ECLI:EU:C:2020:953 m.b.t. begrip ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ a.b.i. art. 6.2 Kaderbesluit. In geval als dit, waarin verdachte wordt vervolgd voor feit dat reden tot overlevering is geweest, is rechter in strafzaak niet ambtshalve gehouden te onderzoeken of beslissing tot overlevering van verdachte is genomen door uitvoerende rechterlijke autoriteit a.b.i. art. 6.2 Kaderbesluit. Dit is slechts anders als door of namens verdachte gemotiveerd wordt aangevoerd dat beslissing tot overlevering niet is genomen door uitvoerende rechterlijke autoriteit in de zin van art. 6.2 Kaderbesluit EAB. Als rechter, nadat zo nodig door OM nadere informatie is ingewonnen bij (centrale autoriteit van) uitvoerende lidstaat, oordeelt dat beslissing over overlevering van verdachte niet is genomen door ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ a.b.i. art. 6.2 Kaderbesluit, kan alsnog bij uitvoerende rechterlijke autoriteit a.b.i. art. 6.2 Kaderbesluit van uitvoerende lidstaat verzoek worden gedaan tot instemming met eerder genomen beslissing tot overlevering van verdachte. Rechter houdt dan onderzoek ttz. voor bepaalde of onbepaalde tijd aan om OM in gelegenheid te stellen die instemming te verkrijgen. Daarbij wordt (eventueel) door of namens verdachte naar voren gebrachte standpunt over verzoek tot instemming medegedeeld aan uitvoerende rechterlijke autoriteit. Als instemming van uitvoerende rechtelijke autoriteit niet wordt verkregen, verklaart rechter OM in lopende strafzaak n-o in vervolging voor feit waarvoor overlevering heeft plaatsgevonden. Daarbij verdient opmerking dat beslissing niet z.m. aan latere vervolging voor dat feit in de weg staat, bijvoorbeeld als instemming nadien alsnog wordt verkregen. Vaststellingen van hof houden in dat verdachte in Duitse overleveringsprocedure tegenover een rechter is verschenen, waar zij te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen overlevering en heeft ingestemd met vereenvoudigde overlevering. Rechter heeft daarop beslist dat verdachte in detentie wordt gehouden. Daarna heeft overplaatsing van verdachte naar andere gevangenis plaatsgevonden, zijn stukken over procedure tegenover rechter naar OM doorgestuurd en is verdachte – na een bericht van het Duitse OM aan het Nederlandse OM over instemming met overlevering – aan Nederlandse autoriteiten overgeleverd. Hof heeft geoordeeld dat aldus beslissing tot instemming met overlevering van verdachte niet door Duitse OM, maar door Duitse rechter is genomen. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat over overlevering van betrokkene is beslist door uitvoerende rechterlijke autoriteit in de zin van art. 6.2 Kaderbesluit. Oordeel van hof is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is geen plaats. Juistheid van oordeel kan immers in cassatie niet worden getoetst omdat HR o.g.v. art. 79 RO niet kan treden in uitleg van recht van vreemde staten. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken