HR 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1559

Medeplegen vervoeren van 5 kilo cocaïne, art. 2.B Opiumwet. Hof heeft verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep v.zv. gericht tegen in eerste aanleg gegeven vrijspraak t.z.v. medeplegen poging tot uitvoeren van cocaïne. Ne bis in idem, art. 68 Sr. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM in vervolging t.z.v. medeplegen vervoeren van cocaïne, nu verdachte eerder voor hetzelfde feit onherroepelijk is veroordeeld t.z.v. voorbereidingshandelingen a.b.i. art. 10a Opiumwet. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BM9102 t.a.v. beoordelingskader m.b.t. “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr. In eerdere zaak is verdachte vervolgd voor het op 22-9-2017 voorbereiden van opzettelijk vervoeren van cocaïne door voorhanden hebben van auto met ingebouwde verborgen ruimte. In voorliggende zaak is verdachte vervolgd voor het op 22-9-2017 opzettelijk vervoeren van 5 kilo cocaïne. Tll. is in beide zaken toegesneden op feitencomplex waarbij verdachte op 22-9-2017 reed in auto en waarbij in die auto een verborgen ruimte werd aangetroffen met daarin 5 kilo cocaïne. In eerdere zaak heeft hof geoordeeld dat verdachte een auto met ingebouwde verborgen ruimte voorhanden had, waarvan verdachte wist dat deze bestemd was tot vervoer van de in die ruimte aangetroffen 5 kilo cocaïne, zodat met dat voorhanden hebben vervoer van harddrugs werd voorbereid. Hof heeft in bestreden uitspraak geoordeeld dat, gelet op beschermde rechtsgoederen en strafmaxima die op feiten zijn gesteld, niet sprake is van aanzienlijk verschil in juridische aard van feiten die in eerdere strafzaak en in voorliggende strafzaak zijn tlgd. Hof heeft verder geoordeeld dat, hoewel sprake is van eenheid van tijd en plaats, dusdanig groot verschil bestaat tussen gedragingen en aard van die gedragingen, dat niet gesproken kan worden van “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr. Dat oordeel is niet begrijpelijk, nu beide tlgd. feiten betrekking hebben op een zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex en het in eerdere strafzaak tlgd. voorbereiden van opzettelijk vervoeren van hoeveelheid cocaïne erin bestaat dat verdachte een auto voorzien van ingebouwde verborgen ruimte voorhanden had, terwijl verdachte wist dat die auto was bestemd voor vervoer van hoeveelheid cocaïne, en die tlgd. gedraging in de kern op niets anders ziet dan tlgd. vervoeren van dezelfde hoeveelheid cocaïne zoals die is aangetroffen in ingebouwde verborgen ruimte van betreffende auto. Daarbij kan in dit specifieke geval niet gezegd worden dat aard en kennelijke strekking van gedragingen zodanig verschillen dat niet sprake is van “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr. HR zal zaak zelf afdoen, nu afdoening van zaak mogelijk is zonder in nieuw onderzoek naar feiten te treden. HR komt o.g.v. hiervoor weergegeven vaststellingen en in aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen tot oordeel dat tll. in onderhavige zaak en tll. in eerdere zaak “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr betreffen, zodat OM n-o moet worden verklaard in vervolging t.z.v. medeplegen vervoeren van cocaïne. Dit betekent dat uitspraak Rb in stand blijft v.zv. verdachte daarin is vrijgesproken van medeplegen poging tot uitvoeren van cocaïne. Volgt (partiële) vernietiging t.z.v. medeplegen vervoeren van cocaïne en n-o verklaring OM in vervolging t.z.v. dat feit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken