HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1446

Aanwezig hebben van cocaïne, art. 2.C Opiumwet. Kan uit een aan raadsman gerichte brief worden afgeleid dat afschrift van dagvaarding in hoger beroep aan raadsman van verdachte is gezonden? Art. 48 Sv. Uit stukken blijkt dat advocaat zich bij e-mail aan strafgriffie hof heeft gesteld als raadsman van verdachte in h.b. Bij stukken bevindt zich verder kopie van dagvaarding in h.b. Op die kopie staat geen mededeling waaruit kan blijken dat afschrift van deze dagvaarding aan raadsman van verdachte is verzonden. Ook o.g.v. andere stukken die aan HR zijn gezonden, kan niet zo’n vaststelling worden gedaan. Dat zich bij stukken aan (kantooradres van) raadsman gerichte brief bevindt waarin i.v.m. opgeven van bezwaren tegen vonnis in eerste aanleg melding wordt gemaakt van datum en tijdstip van zitting in h.b., is niet toereikend om aan te nemen dat afschrift van dagvaarding in h.b. aan raadsman van verdachte is verzonden. Volgens p-v van tz. in h.b. is daar noch verdachte noch diens raadsman verschenen. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat t.a.v. dagvaarding in h.b. voorschrift van art. 48 (tweede volzin) Sv niet is nageleefd. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen