HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1263

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. onttrekking van diverse goederen aan gelegd beslag (art. 198.1 Sr) en bedreiging van zijn (ex-)echtgenote door met mes stekende bewegingen te maken (art. 285.1 Sr). Dubbel verstek. 1. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.1.b.1 jo. 36e.2.b Sv. Is dagvaarding in h.b. rechtsgeldig betekend, nu het verdachte o.g.v. strafvonnis Pr t.t.v. betekening van dagvaarding niet was toegestaan te verblijven in straat waarin zijn BRP-adres is gelegen? 2. Aanwezigheidsrecht. Kon hof zonder nader verstek verlenen tegen niet-verschenen verdachte? Ad 1. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat dagvaarding in h.b. rechtsgeldig is betekend. Dat oordeel geeft gelet op art. 36e.1.b.1 en 36e.2.b Sv niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat het verdachte o.g.v. vonnis Pr t.t.v. betekening van die dagvaarding niet was toegestaan te verblijven in straat waarin zijn BRP-adres is gelegen en contact te (laten) hebben met de op dat adres woonachtige personen, maakt dat niet anders, nu verdachte op het moment van betekening in BRP als ingezetene was ingeschreven op dat adres. Ad 2. In het geval dat dagvaarding van verdachte die is ingeschreven in BRP, geldig is betekend en verdachte noch zijn raadsman op tz. is verschenen, kan rechter in beginsel uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dat is anders als er duidelijke aanwijzingen zijn van tegendeel. In een bijzonder geval als dit, waarin dagvaarding overeenkomstig art. 36e.1.b.1 en 36e.2.b Sv is betekend maar het verdachte o.g.v. vonnis Pr t.t.v. betekening van dagvaarding in h.b. niet was toegestaan te verblijven op adres waar getracht is dagvaarding uit te reiken en contact te (laten) hebben met de op dat adres woonachtige personen, terwijl niet kan worden vastgesteld dat verdachte op andere wijze op de hoogte is gesteld of daadwerkelijk weet heeft van zitting in h.b., kan rechter in h.b. niet uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Rechter moet dan, mede gelet op het in art. 6.3 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van verdachte, onderzoeken (en van dat onderzoek blijk geven) of er reden is onderzoek op tz. te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij onderzoek op tz. tegenwoordig te zijn. Daarbij kan rechter betrekken dat van verdachte die h.b. instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, mag worden verwacht dat hij in maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat dagvaarding in h.b. hem niet bereikt of inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman (die uit eigen hoofde afschrift van dagvaarding in h.b. ontvangt als hij zich in h.b. heeft gesteld) opdat verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Hof heeft niet blijk gegeven van hiervoor genoemd onderzoek. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: Betekeningsklacht slaagt, nu van justitie enig onderzoek mocht worden verwacht naar juistheid van adres en van hof nader onderzoek mocht worden verwacht naar correctheid van betekening, mede gelet op vermelding van ander adres in kennisgeving inbeslagneming, p-v van inverzekeringstelling en bevel inverzekeringstelling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen