HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:906

Faillissementsfraude door als bestuurder van rechtspersoon ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers niet te voldoen aan zijn administratieplichten (art. 343.4 (oud) Sr), onttrekking aan beslag (art. 198 Sr), medeplegen aanwezig hebben hennep (art. 3.C OW) en schuldwitwassen (420quater Sr) op 18 augustus 2006. 1. Slagend middel gericht tegen bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde faillissementsfraude. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BI4691 m.b.t. het vereiste dat verdachte opzet moet hebben op verkorting rechten van schuldeisers. Aangezien de bewezenverklaring, v.zv. inhoudende dat verdachte heeft gehandeld “ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers” niet (z.m.) uit de gebruikte bewijsvoering kan volgen, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij neemt HR in aanmerking dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet z.m. de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan en de bewijsvoering de mogelijkheid openlaat dat verdachte − indien van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake zou zijn geweest − zich van die aanmerkelijke kans niet bewust is geweest. 2. Slagende klacht over verjaring van het onder 5 impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen. HR verklaart het OM n-o wat betreft het onder 5 impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen, v.zv. het betreft de periode vóór 1 juli 2008. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 20/02084, 20/02024 en 20/02023.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken