HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:865
Verkrachting door 61-jarige verdachte van zijn 16-jarige verstandelijk beperkte dochter in zijn woning, art. 242 jo. 248.2 Sr. Heeft verdachte zijn dochter door andere feitelijkheden gedwongen a.b.i. art. 242 Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:494, inhoudende dat van door een ‘feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’ a.b.i. art. 242 Sr slechts sprake kan zijn als verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat slachtoffer handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan. Van door een feitelijkheid dwingen kan sprake zijn als verdachte opzettelijk zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat verdachte slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of die dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van concrete omstandigheden van geval. ’s Hofs oordeel dat o.g.v. diens vaststellingen sprake was van een overwicht van verdachte op zijn dochter en dat verdachte zijn dochter ‘door andere feitelijkheden heeft gedwongen’ tot ondergaan van seksuele handelingen a.b.i. art. 242 Sr, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl