HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:86

Feitelijk leidinggeven aan het niet/onjuist doen van verschillende belastingaangiften, art. 68 en 69 AWR. 1. Bewezenverklaring feiten 1 en 2 uitsluitend gebaseerd op verklaringen van verdachte? Art. 341.4 Sv. 2. Post-Keskin. Gebruik van getuigenverklaring voor het bewijs. Schending ondervragingsrecht? 3. Bewijsklacht feitelijk leidinggeven aan doen van onjuiste aangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen. Heeft BV aangiften als inhoudingsplichtige gedaan? Ad 1. De bewijsvoering m.b.t. het onder 1 en 2 tlgd. is in strijd met art. 341.4 Sv. Daarin is immers bepaald dat het bewijs dat verdachte tlgd. feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op opgaven van verdachte. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. beoordeling van verzoeken tot oproepen en horen van getuigen door feitenrechter in situatie dat verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al (in vooronderzoek of anderszins) verklaring heeft afgelegd met belastende strekking, en HR:2021:1418 m.b.t. beoordeling van vraag of is voldaan aan eisen van eerlijk proces. Hof heeft (in cassatie onbestreden) vastgesteld dat er een goede reden bestond voor het niet kunnen uitoefenen van ondervragingsrecht m.b.t. getuige, namelijk dat diens gezondheid door het afleggen van een verklaring ttz. in gevaar zou worden gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om hem ttz. te kunnen ondervragen. Het moet er in cassatie voor worden gehouden dat hof een deel van de eerder door getuige afgelegde verklaring heeft gebruikt voor bewijs. M.b.t. tot dit gebruik heeft hof overwogen dat bewezenverklaring niet in overwegende mate steunt op die verklaring, gelet op andere b.m., waaronder verklaring van verdachte, die het voor het bewijs zal gebruiken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. ‘s Hofs kennelijke oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, ook zonder dat er compenserende factoren waren voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij onderzoek naar betrouwbaarheid van verklaring van getuige, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat BV auto’s aan verdachte ter beschikking heeft gesteld, dat deze terbeschikkingstelling niet in aanmerking is genomen in aangiften loonbelasting/premie volksverzekering en dat uit valsheid van overgelegde rittenadministraties volgt dat terbeschikkingstelling van deze auto’s wel in aanmerking had moeten worden genomen. In het licht van wat verdediging in h.b. heeft aangevoerd is de op deze vaststellingen berustende bewezenverklaring niet z.m. begrijpelijk v.zv. zij inhoudt dat BV deze aangiften als inhoudingsplichtige heeft gedaan. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken