HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:472
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Zijn er “voldoende aanwijzingen” dat betrokkene w.v.v. heeft verkregen uit hennepteelt in periode voorafgaand aan 15-4-2015, nu betrokkene in strafzaak is veroordeeld t.z.v. het op 15-4-2015 aanwezig hebben van hennepplanten en is vrijgesproken van het op of omstreeks die dag telen van hennep? Art. 36e.2 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1523 en HR:2021:1498 m.b.t. eisen aan vaststelling dat voldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Hof heeft overwogen dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene samen met één andere persoon een ander strafbaar feit heeft begaan dan in strafzaak is bewezenverklaard, te weten het telen van hennep in periode voorafgaand aan het in strafzaak bewezenverklaarde aanwezig hebben van hennep. Daarin ligt als ’s hofs oordeel besloten dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat betrokkene in betreffende periode met een ander in woning hennep heeft geteeld. De voldoende aanwijzingen dat betrokkene dit feit heeft begaan, kunnen echter niet zonder meer worden afgeleid uit de door hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden. Gelet hierop, is ’s hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 21/00008.
De uitspraak op rechtspraak.nl