HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498
Profijtontneming, w.v.v. uit Opiumwetdelicten. Zijn er “voldoende aanwijzingen” dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit soortgelijke feiten? Art. 36e.2 (oud) Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1523 m.b.t. onschuldpresumptie bij ontneming uit andere/soortgelijke feiten in de zin van art. 36e.2 Sr en HR:2013:BV9087 en HR:2002:AD7805 m.b.t. bewijsrechtelijke regels in ontnemingsprocedures. Uit uitspraak moet blijken aan welke f&o rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat betrokkene ander(e) strafba(a)r(e) feit(en) a.b.i. art. 36e.2 Sr heeft begaan, hetgeen ook geldt ook voor art. 36e.2 (oud) Sr. Opvatting dat hof in zijn uitspraak b.m. had moeten vermelden waarop oordeel berust dat voldoende aanwijzingen bestaan dat door betrokkene soortgelijke feiten a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr zijn begaan, berust op eis die het recht niet kent. Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat o.g.v. dossier (waarbij hof kennelijk oog heeft gehad op de in dat dossier weergegeven verklaringen van 2 getuigen) buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat betrokkene in periode van najaar 1995 tot 1-3-2000 meermalen betrokken is geweest bij handel in verdovende middelen. Gelet hierop en in het licht van wat hiervoor is overwogen, is ’s hofs oordeel dat sprake is van voldoende aanwijzingen a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr dat betrokkene voorafgaand aan bewezenverklaarde periode soortgelijke feiten heeft begaan, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Vervolg op HR:2008:BC9411.
De uitspraak op rechtspraak.nl