HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:174
Belaging, meermalen gepleegd (art. 285b.1 Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr). 1. Post-Keskin. Afwijzing verzoek aangeefster van belaging als getuige te horen en gebruik van haar verklaringen voor bewijs. 2. Post-Keskin. Afwijzing verzoek aangeefster van mishandeling als getuige te horen en gebruik van haar verklaringen voor bewijs 3. Bewijsklacht belaging. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte stelselmatige inbreuk op persoonlijke levenssfeer van medewerkers van advocatenkantoor heeft gemaakt? Ad 1. Hof heeft het verzoek tot horen van aangeefster van belaging afgewezen, omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en hof zich voldoende geïnformeerd acht. Dit oordeel is (mede gelet op wat aan verzoek ten grondslag is gelegd) niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof de bewezenverklaring heeft aangenomen mede o.g.v. die door verdachte betwiste verklaringen zonder dat verdediging deze getuige heeft kunnen ondervragen, terwijl hof niet blijk ervan heeft gegeven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (vgl. HR:2021:576). V.zv. hof heeft beoogd afwijzing van verzoek mede te doen steunen op omstandigheid dat sprake is van gegrond vermoeden, a.b.i. art. 288.1.b. Sv dat gezondheid of welzijn van getuige door het afleggen van een verklaring in gevaar zou worden gebracht, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk, mede gelet op de motiveringseisen die gelden voor toepassing van die bepaling (vgl. HR:2010:BL9001) en i.h.b. in aanmerking genomen dat hof zich niet heeft uitgelaten over de mogelijkheid maatregelen te treffen ter bescherming van het belang van gezondheid of welzijn van getuige waardoor (al dan niet in beperkte mate)mogelijkheid tot ondervraging wordt geboden. Ad 2. Hof heeft het verzoek tot horen van aangeefster van mishandeling als getuige eveneens afgewezen, omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en hof zich voldoende geïnformeerd acht. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat verdachte ter onderbouwing van dit verzoek heeft aangevoerd dat hij zelf niet heeft geslagen en hij de gang van zaken zoals die naar voren komt in de verklaring van getuige betwist, terwijl hof de bewezenverklaring mede o.g.v. die verklaring heeft aangenomen zonder dat verdediging getuige heeft kunnen ondervragen (vgl. HR:2021:576). Dit leidt echter niet tot cassatie, omdat verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van bestreden uitspraak op dit punt. Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat (ook met de afwijzing van het verzoek) het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’ niet in de weg staan aan gebruik voor bewijs van de verklaring. HR neemt daarbij in aanmerking dat in eerste aanleg het verzoek tot het horen van o.m. getuige is toegewezen en dat een aantal getuigen, onder wie aangeefster, door RC is gehoord, maar dat deze verhoren (om de door RC uiteengezette redenen die het gedrag van verdachte betreffen) niet in aanwezigheid van verdachte of een raadsman van verdachte konden plaatsvinden. RC heeft voorafgaand aan de verhoren van deze getuigen aan verdachte de gelegenheid gegeven schriftelijke vragen in te dienen. Daarmee is aan verdachte een belangrijke compensatiemogelijkheid geboden voor de beperkingen die door toedoen van verdachte zijn ontstaan a.g.v. het horen van getuigen buiten aanwezigheid van verdediging, waarvan verdachte (zonder dat hij daarvoor een reden heeft opgegeven) geen gebruik heeft willen maken. Daarnaast neemt HR in aanmerking dat bewezenverklaring mede steunt op de door verdachte zelf afgelegde verklaring, die inhoudt dat verdachte, nadat hij voelde dat hij werd tegengehouden, met zijn rechterarm naar achteren heeft geslagen, dat hij vervolgens zag dat aangeefster op de grond lag en dat hij denkt dat de slag erg hard is geweest. Ad 3. In aanmerking genomen wat bewijsvoering inhoudt omtrent aard, duur, frequentie en intensiteit van gedragingen van verdachte, omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en invloed daarvan op persoonlijk leven en persoonlijke vrijheid van medewerkers van advocatenkantoor, is ‘s hofs oordeel dat sprake is van ‘stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’ a.b.i. art. 285b Sr niet z.m. begrijpelijk. Bewezenverklaring is in dat opzicht ontoereikend gemotiveerd. Dat het gedrag van verdachte als storend voor organisatie van advocatenkantoor is ervaren en de daar werkzame personen door die verstoring gedurende één werkdag niet onbelemmerd aan hun professionele werkzaamheden toekwamen, maakt dat niet anders. Volgt partiële vernietiging en verwijzing. CAG: anders t.a.v. getuigenverzoek m.b.t. aangeefster van belaging.
De uitspraak op rechtspraak.nl