HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1075
1. Ontvankelijkheid cassatieberoep v.zv. gericht tegen beslissing tot terugwijzing, art. 428 Sv. 2. Medeplegen oplichting energieleverancier d.m.v. terugdraaien van elektriciteitsmeter, art. 326.1 Sr. Is energieleverancier bewogen tot het teniet doen van een inschuld? 3. (Medeplegen) witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over gebruik kasopstelling. Ad 1. Hof heeft de zaak wat betreft “de feiten 7 en 9, tweede gedachtestreepje” ex art. 423.2 Sv teruggewezen naar Rb. Tegen beslissing die geen einduitspraak is in de zin van art. 138 Sv, is cassatieberoep alleen toegelaten gelijktijdig met beroep tegen einduitspraak. Beslissing tot terugwijzing is niet een einduitspraak in die zin. Cassatieberoep is in zoverre niet-ontvankelijk. Ad 2. Van “het teniet doen van een inschuld” in de zin van art. 326 Sr kan sprake zijn als schuldeiser door een van de in die bepaling omschreven oplichtingsmiddelen ertoe wordt bewogen zich tegenover schuldenaar te gedragen als ware de inschuld teniet gegaan (vgl. HR:1965:AB3916). HR herhaalt verder relevante overwegingen uit HR:2016:2892 over in bestanddeel “beweegt” tot uitdrukking gebracht causaal verband en uit HR:2017:1221 dat enkel in dwaling brengen met doel van benadeling onvoldoende is voor voltooide oplichting. Hof heeft vastgesteld dat verdachte iemand naar medeverdachte (afneemster elektriciteit) heeft gestuurd om elektriciteitsmeter terug te draaien met het “doel de inschuld van A teniet te doen”, dat verdachte (wanneer medeverdachte laat weten dat die persoon langs is geweest) tegen haar zegt dat zij “dat morgen door moet bellen en moet zeggen dat ze zich vergist heeft” en dat A B.V. later aangifte heeft gedaan wegens “diefstal van stroom” door terugzetten van telwerk. Uit bewijsvoering kan echter niet blijken dat A B.V. is bewogen tot het teniet doen van inschuld. Uit bewijsvoering volgt immers niet dat medeverdachte de nieuwe tellerstand daadwerkelijk heeft doorgegeven aan schuldeiser en ook niet dat schuldeiser de inschuld heeft teniet gedaan, al dan niet door zich tegenover medeverdachte te gedragen als ware inschuld teniet gegaan. Ad 3. Wat raadsman naar voren heeft gebracht over gebruik voor bewijs van kasopstelling kan als geheel gezien niet anders worden opgevat dan als standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van ondubbelzinnige conclusie aan hof is voorgelegd. Hof is van dit uos afgeweken maar heeft niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Volgt gedeeltelijke n-o verklaring en gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 20/03419, 20/03425, 20/03447, 20/03461 en 20/03510.
De uitspraak op rechtspraak.nl