HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:889

Diefstal met geweld van fles drank uit winkel, art. 312.1 Sr. Vordering benadeelde partij (winkelmedewerker) tot vergoeding van immateriële schade. 1. Heeft hof in strijd met art. 330 Sv niet beslist op verzoek van verdediging om b.p. o.g.v. art. 361.3 Sv n-o te verklaren in zijn vordering, omdat behandeling van vordering een onevenredige belasting van strafgeding zou opleveren? 2. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW, die het gevolg is van bewezenverklaard feit? 3. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Opvatting dat verzoek van verdachte om toepassing te geven aan art. 361.3 Sv moet worden aangemerkt als verzoek om gebruik te maken van bevoegdheid of van recht door wet toegekend a.b.i. art. 330 Sv, is onjuist. Art. 330 Sv heeft immers het oog op verzoeken van verdachte aan rechter om beslissing te nemen o.g.v. bevoegdheid of recht door wet aan rechter toegekend bij gelegenheid van behandeling van strafzaak op tz., terwijl art. 361 Sv ziet op beraadslaging en uitspraak over civiele vordering van b.p. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. aantasting in persoon ‘op andere wijze’. In het licht van wat b.p. ter onderbouwing van vordering tot vergoeding van immateriële schade heeft aangevoerd, ligt in ‘s hofs overwegingen als zijn oordeel besloten dat b.p. geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op psychiatrische beoordeling m.b.t. b.p. Ad 3. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken