HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:429
Ondervragingsrecht, art. 6.3.d EVRM. Deelname aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr), medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 en 225.2 Sr), medeplegen diefstal (art. 311.1.4 Sr) en medeplegen (poging tot) oplichting (art. 326.1 Sr) 1. Heeft voor verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van medeverdachte bestaan, nu ondervraging heeft plaatsgevonden i.h.k.v. ontnemingszaak? 2. Steunt bewezenverklaring in beslissende mate op verklaring van deze medeverdachte? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1017 en ECLI:NL:HR:2017:1016 m.b.t. ondervragingsrecht en gebruik van verklaring van getuige voor bewijs als behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken. V.zv. middel klaagt dat hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van medeverdachte heeft bestaan, gaat het uit van een onjuiste lezing van ’s hofs overwegingen. Hof heeft overwogen dat “ondervragingsrecht weliswaar niet ten volle is uitgeoefend, maar dat er feitelijk gezien wel uitvoering en invulling aan is gegeven” doordat medeverdachte in zowel strafzaak als ontnemingszaak heeft verklaard te blijven bij verklaringen die hij in e.a. heeft afgelegd, en verhoor van medeverdachte in ontnemingszaak zich ook heeft uitgestrekt tot betrokkenheid van hem en van verdachte bij diverse zaaksdossiers. Op grond daarvan heeft hof geoordeeld dat verdediging “in zekere mate in staat is geweest” verklaring van medeverdachte te toetsen en dat “mogelijkheid tot ondervraging [niet] volledig heeft ontbroken”. Aan oordeel dat gebruik van verklaring van medeverdachte voor bewijs in overeenstemming is met recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, heeft hof daarnaast ten grondslag gelegd dat die verklaring op door verdachte betwiste en hem belastende onderdelen steun vindt in andere b.m. Hiermee heeft hof tot uitdrukking gebracht dat uitoefening van ondervragingsrecht met zekere beperkingen gepaard is gegaan. Hof is dan ook niet enkel op grond dat een mogelijkheid tot ondervraging heeft bestaan, tot oordeel gekomen dat gebruik van verklaring van medeverdachte voor het bewijs in overeenstemming is met recht op een eerlijk proces a.b.i. in art. 6 EVRM. Overwegingen hof strekken er daarentegen toe dat omstandigheid dat verdediging in de met onderhavige strafzaak samenhangende ontnemingszaak wel enige vragen heeft kunnen stellen die relevant zijn voor bewijs van betrokkenheid van verdachte bij de in strafzaak bewezenverklaarde feiten, naast aanwezigheid van steunbewijs een relevante factor is bij toetsing art. 6 EVRM. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat gelet op door hof voor bewijs van betrokkenheid van verdachte aangenomen f&o, in onderlinge samenhang beschouwd, de door verdachte betwiste verklaring van medeverdachte voldoende steun vindt in andere b.m., geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met ECLI:NL:HR:2021:324 (strafzaak tegen medeverdachte).
De uitspraak op rechtspraak.nl