HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:426

Huisvredebreuk door samen met zijn vriendin (eigenaar van woning) d.m.v. intikken van raam en intrappen van deur de woning waarin haar ex-vriend is blijven wonen te betreden, art. 138.1 Sr. 1. Bewijsklacht wederrechtelijk binnendringen. 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Opvatting dat binnendringen in een woning bij ander in gebruik niet ‘wederrechtelijk’ kan zijn als dit gebeurt met toestemming van eigenaar van woning, is in zijn algemeenheid onjuist. Daarbij is van belang dat art. 138 Sr het huisrecht van ander, dat hij ontleent aan feitelijke bewoning beoogt te beschermen (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BA4943). ’s Hofs oordeel dat verdachte woning ‘wederrechtelijk’ is binnengedrongen is toereikend gemotiveerd. Omstandigheid dat verdachte de woning telkens samen met eigenaar van woning en met haar toestemming heeft betreden, maakt dat niet anders. Ad 2. HR ambtshalve: HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Samenhang met 19/02284.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken