HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1744
Profijtontneming, w.w.v. uit verduistering. Had hof ex art. 36e.9 Sr aan benadeelde toegekende vordering, v.zv. deze door voormalige echtgenoot van betrokkeneis voldaan, in mindering moeten brengen op w.v.v.? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:124 m.b.t. toepassing van art. 36e.9 Sr bij betaling van benadeelde door medeschuldenaar. Een en ander geldt ook als betaling door medeschuldenaar grond vindt in de hoofdelijke aansprakelijkheid die ex art. 1:102 BW na ontbinding van een huwelijksgemeenschap rust op ieder van echtgenoten voor gemeenschapsschulden. Ook dan geldt immers dat betaling door medeschuldenaar op zichzelf nog niet tot gevolg heeft dat het door betrokkene w.v.v. feitelijk aan hem komt te ontvallen. Hof heeft aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting aan benadeelde niet (gedeeltelijk) in mindering gebracht op schatting w.v.v. en heeft daarmee het namens betrokkene gevoerde verweer verworpen. Kennelijk ligt hieraan ten grondslag dat i.c. niet o.g.v. art. 36e.9 Sr de verplichting bestaat het bedrag van de aan betrokkene ten gunste van benadeelde opgelegde schadevergoedingsmaatregel, v.zv. voormalig echtgenoot van betrokkene de betreffende schade heeft voldaan, in mindering te brengen bij bepaling van de omvang van de schatting van w.v.v. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is (mede in aanmerking genomen dat namens betrokkene niet is aangevoerd en ook niet is gebleken dat hij heeft bijgedragen aan het door zijn voormalige echtgenoot aan benadeelde ter vergoeding van schade betaalde bedrag) niet onbegrijpelijk. De door betrokkene aangevoerde omstandigheid dat hij i.h.k.v. afwikkeling van echtscheiding € 12.265 aan zijn voormalige echtgenoot heeft betaald, leidt niet tot een ander oordeel, nu die eerdere, uit hoofde van andere verplichting verrichte betaling niet meebrengt dat het door betrokkene w.v.v. feitelijk aan hem kwam te ontvallen. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 19/05632.
De uitspraak op rechtspraak.nl