HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:922

Verduistering (meermalen gepleegd) door te tanken zonder te betalen, art. 321 Sr. 1. Niet beslist op beroep van raadsvrouw op overschrijding redelijke termijn in h.b. 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Hetgeen namens verdachte ttz. in h.b. naar voren is gebracht is verweer waarover hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zo’n beslissing in bestreden uitspraak niet voorkomt is middel terecht voorgesteld. HR doet zaak zelf af. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat redelijke termijn in h.b. met ruim 1 maand is overschreden. In het licht van opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden en mate waarin redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan oordeel dat redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. HR zal met dat oordeel volstaan. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat t.b.v. in arrest genoemde slachtoffers in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis. HR zal ‘s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Samenhang met 19/01793.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken