HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:659
Beklag, beslag op banktegoeden van klaagsters (rechtspersoon en stichting) ex art. 13a WOTS n.a.v. rechtshulpverzoek van Libische autoriteiten. Toetsing geheimhouding rechtshulpverzoek aan art. 23.5 en 23.6 Sv. Oordeel Rb dat inhoud van rechtshulpverzoek niet aan klaagsters bekend wordt gemaakt, toereikend gemotiveerd? Maatstaf om geen toepassing te geven aan art. 23.5 Sv is of onderzoek “ernstig wordt geschaad”. Uit overwegingen Rb blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd. Terechte klacht die niet tot cassatie behoeft te leiden. Namens klaagsters, die niet onkundig zijn gebleven van omstandigheid dat rechtshulpverzoek is gedaan en die tezamen met hun raadsman aanwezig waren bij behandeling van door hen gedaan beklag door Rb in raadkamer, zijn verschillende klachten naar voren gebracht. Rb heeft overwogen dat zij bij beoordeling daarvan “uitsluitend stukken heeft betrokken waarvan vertrouwelijkheid niet was gevraagd door Libische autoriteiten”. Daarin ligt besloten dat Rb bij beoordeling niet inhoud van rechtshulpverzoek heeft betrokken. Vervolgens heeft zij alle klachten besproken en gemotiveerd vastgesteld dat is voldaan aan voorwaarden die in art. 13a WOTS aan beslagneming zijn gesteld. Gelet hierop hebben klaagsters onvoldoende belang bij vernietiging beschikking en terugwijzing van zaak naar Rb. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl