HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:623
Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon (Iraanse nationaliteit) aan Verenigde Staten t.z.v. onrechtmatig uitvoeren van "dual-use goederen” (converters) van VS naar Iran. 1. Beroep op politieke exceptie. 2. Beroep op EG-Verordening 2271/96 (“blocking statute”). 3. Onvoldoende duidelijke vermelding feiten, art. 28.3 UW. Ad 1. Rb heeft geoordeeld dat de feiten waarvoor zij uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij art. 140 en 225 Sr onderscheidenlijk bij art. 1.1 Sanctieregeling Iran 2012 jo. art. 1.1 en 6 WED en art. 45 Sr. Rb heeft kennelijk geoordeeld dat deze strafbare feiten geen delicten betreffen die alleen al o.g.v. hun wettelijke omschrijving zijn aan te merken als strafbare feiten van politieke aard. Dat oordeel getuigt, gelet op wetsgeschiedenis bij Uitleveringswet, niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Rb heeft daarnaast - kennelijk - tot uitdrukking gebracht dat, niettegenstaande het ter zake gevoerde verweer, feiten waarvoor zij uitlevering toelaatbaar heeft verklaard, ook anderszins niet kunnen worden aangemerkt als strafbare feiten van politieke aard, omdat overwegend politiek karakter ontbreekt. Gelet op in ECLI:NL:HR:2004:AF6988 genoemde relevante factoren, getuigt ook dit oordeel van Rb niet van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Ad 2. Rb heeft geoordeeld dat, nu uitvoer van “dual-use” goederen naar Iran ook in Nederland strafbaar is, geen beroep kan worden gedaan op Verordening. Rb heeft daartoe o.m. overwogen dat Verordening geen bescherming biedt aan personen en bedrijven die handel drijven die mogelijk bijdraagt aan militaire capaciteiten van Iran op de grond dat dergelijke handel ook in EU strafbaar is gesteld, namelijk in Sanctieregeling Iran 2012. Voorts heeft Rb overwogen dat vraag of art. 11.5 Verordening van toepassing is om die reden geen beantwoording behoeft. Oordeel Rb getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. HR ziet geen aanleiding voor stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU m.b.t. Verordening. Ad 3. HR ambtshalve: verbeterde lezing in rov. 1. Volgt verwerping. Samenhang tussen 19/03841 Br en 19/03920 U.
De uitspraak op rechtspraak.nl