HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:509

OM-cassatie en cassatie verdachte. Overtreding wetgeving financieel toezicht begaan door rechtspersoon, art. 3.1 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) en art. 2:55.1 Wet op financieel toezicht (feit 2). 1. Verjaring. Heeft hof miskend dat wat betreft overtredingen van art. 2:55.1 Wft, v.zv. begaan tussen 1-1-2007 en 26-4-2007, recht tot strafvordering wegens verjaring was vervallen? 2. Overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Ad 1. Aan verdachte is onder 2 tlgd. (i) overtreding art. 3.1 Wte 1995 (oud) in periode 19-3-2003 tot 1-7-2005; (ii) overtreding art. 3.1 Wte 1995 (oud) in periode 1-7-2005 tot 1-1-2007; en (iii) overtreding art. 2:55.1 Wft in periode 1-1-2007 tot 12-5-2009. Hof heeft overwogen dat OM t.a.v. eerste deelfeit, v.zv. tlgd. ziet op periode van 19-3-2003 tot 26-4-2005, wegens verjaring van recht tot strafvordering n-o is in vervolging van verdachte. Hof heeft tlgd. voor overige bewezenverklaard en verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke geldboete van € 200.000. Gelet op toepasselijke straf- en verbodsbepalingen in samenhang met art. 70.1 en 72.2 Sr beloopt verjaringstermijn t.a.v. eerste en tweede deelfeit ten hoogste 2 maal 6 jaren en t.a.v. derde deelfeit ten hoogste 10 jaren. Wat betreft al deze feiten is dus recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. HR verklaart OM n-o in vervolging wat betreft onder 2 tlgd. Ad 2. Gelet op beslissing HR, die tot gevolg heeft dat verdachte voor geen van tlgd. feiten wordt veroordeeld, is er geen aanleiding om aan oordeel dat redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. HR zal daarom met dat oordeel volstaan. Samenhang met 17/03445.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen