HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:398

Poging tot diefstal d.m.v. braak, art. 311.1.5 Sr. Aanhoudingsverzoek gemachtigde raadsvrouw ttz. op de grond dat er sprake kan zijn van miscommunicatie en dat verdachte zijn aanwezigheidsrecht wil uitoefenen, door hof ongemotiveerd afgewezen waarbij raadsvrouw gelegenheid heeft gekregen verdachte te bellen (tevergeefs). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:1737, inhoudende dat aanhoudingsverzoek kan worden gedaan door verdachte, gemachtigde raadsman of niet gemachtigde raadsman (met het oog op effectuering aanwezigheidsrecht verdachte of t.b.v. alsnog verkrijgen machtiging), dat rechter verzoek reeds - zonder dat wordt overgegaan tot afweging tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen - kan afwijzen op de grond dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, dat rechter (als geval dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is zich niet voordoet) belangenafweging dient te maken tussen aanwezigheidsrecht verdachte en belang bij doeltreffende en spoedige berechting en dat rechter i.g.v. afwijzing van verzoek in motivering van zijn beslissing blijk dient te geven van deze belangenafweging. Hof heeft niet geoordeeld dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, terwijl hof evenmin blijk heeft gegeven van belangenafweging. Nu hof dit heeft nagelaten, heeft het zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:2586.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken