HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:360

Medeplegen van Opiumwet-delicten (art. 2.A, 2.B en 2.C Opiumwet) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Heeft hof ten onrechte vordering tul toegewezen nu deze vordering in h.b. niet “ter beoordeling voorlag” omdat deze in e.a. te laat is betekend? In e.a. is de vordering ttz. behandeld in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman, waarna de Rb in haar vonnis de tul heeft gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf. I.c. betreft een vordering tul van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit a.b.i. art. 14c.1 Sr. Zo’n vordering dient te worden ingediend door het OM dat met de vervolging van dat feit is belast, terwijl bij veroordeling t.z.v. dat feit de beslissing op de vordering deel uitmaakt van het vonnis. Het tegen dat vonnis ingestelde beroep brengt mee dat het onderzoek van de appelrechter zich mede tot die vordering dient uit te strekken. Ook in h.b. maakt de beslissing op de vordering deel uit van de in de strafzaak te geven uitspraak (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP4387). Middel berust op opvatting dat de enkele omstandigheid dat in e.a. sprake is geweest van een te late (betekening van de) oproeping voor de behandeling van de vordering tot gevolg heeft dat deze vordering in h.b. niet ter beoordeling voorligt. Deze opvatting is onjuist (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2357). Volgt verwerping. Samenhang met 18/04726 en 18/05053.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken