HR 24 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1872

Profijtontneming, w.v.v. (€ 2.182.865,93) uit grootschalige internationale handel in harddrugs in georganiseerd verband. Art. 36e.2 Sr. Beroep op ondervragingsrecht voor het eerst in cassatie. Heeft hof in strijd met art. 6.3.d EVRM verklaringen van medeveroordeelde betrokken bij oordeel dat betrokkene voorafgaand aan in strafzaak bewezenverklaarde periode w.v.v. heeft verkregen, nu verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om medeveroordeelde te ondervragen? Uit p-v van tz. in h.b. en pleitnota blijkt niet dat namens betrokkene in ontnemingszaak verzoek is gedaan om medeveroordeelde als getuige te horen noch dat verweer is gevoerd dat verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om medeveroordeelde te ondervragen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1016 m.b.t. aanspraak verdediging op behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Deze rechtspraak is ook van betekenis in ontnemingsprocedure indien en v.zv. een i.v.m. ontnemingsprocedure te nemen beslissing inhoudt dat betrokkene zelf een concreet aangeduid strafbaar feit heeft begaan (vgl.ECLI:NL:HR:2018:2023). Middel faalt, omdat verdediging in ontnemingszaak niet verzoek heeft gedaan medeveroordeelde als getuige te horen en in h.b. evenmin verweer is gevoerd dat verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om medeveroordeelde te ondervragen. Volgt verwerping. Samenhang met 19/02119, 19/02285 P en 19/02116 P.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken